|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/6964
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2004,
04/2658 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 2 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de
Raad achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad
bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek
gesloten.
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
appellant in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
In 2000 heeft appellant aan betrokkene een besluit toegezonden waarin
werd medegedeeld dat de toeslag die betrokkene ingevolge de Toeslagenwet
(TW) ontving, vanaf 1 januari 2000 in een periode van drie jaar zou
worden afgebouwd. Over het jaar 2000 ontving betrokkene nog de volledige
toeslag, over het jaar 2001 twee derden van deze toeslag, over het jaar
2002 een derde van deze toeslag en ingaande 1 januari 2003 zou de
toeslag geheel worden beëindigd. Het door appellant genomen besluit was
gebaseerd op artikel 4a van de TW in samenhang met artikel XI van de Wet
beperking export uitkeringen.
Betrokkene is destijds niet in rechte opgekomen tegen de afbouw van de
toeslag.
Een aantal van de in Marokko wonende Marokkaanse gerechtigden op een
toeslag ingevolge de TW is destijds wel opgekomen tegen de afbouw van
hun toeslag. De Raad heeft bij uitspraak van 12 september 2003, USZ
2003/303, geoordeeld dat deze afbouw in strijd is met artikel 5, eerste
lid, van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34,
hierna: het NMV).
Na deze uitspraak heeft betrokkene een nieuwe aanvraag om een toeslag
ingevolge de TW ingediend. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 16
april 2004 aan betrokkene meegedeeld dat de betaling van de toeslag
vanaf 12 september 2003 wordt voortgezet. Bij het bestreden besluit van
19 mei 2004 heeft appellant zijn standpunt na bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van betrokkene tegen het
bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van het
in de uitspraak overwogene een nieuw besluit te nemen. Tevens zijn
bepalingen omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten
gegeven.
De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 30 juni 2006, LJN AY0194, in
een aantal soortgelijke zaken. In die uitspraak heeft de Raad in de
eerste plaats overwogen dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen
de periode vóór en na 1 januari 2003. Het recht van betrokkene op
toeslag is ingaande 1 januari 2003 beëindigd. Zoals de Raad reeds heeft
overwogen in zijn uitspraak van 3 maart 2006, LJN AV8305, is een na die
beëindiging van het recht ingediende nieuwe aanvraag om een toeslag
geen herhaalde aanvraag als bedoeld in of analoog aan artikel 4:6 van de
Awb voorzover deze betrekking heeft op een periode gelegen na bedoelde
beëindigingsdatum. Naar het oordeel van de Raad dient zo’n aanvraag
te worden behandeld conform de regels gesteld in de TW en de regels en
beginselen die anderszins de beslissing op een aanvraag beheersen. Dit
brengt met zich mee dat de toeslag op grond van het bepaalde in artikel
11, zevende lid, van de TW in beginsel met een terugwerkende kracht van
een jaar moet worden toegekend. In gevallen waarin de mogelijke
terugwerkende kracht tot aan 1 januari 2003 minder dan één jaar
bedraagt zal de uitkering in elk geval met volledig terugwerkende kracht
tot 1 januari 2003 moeten worden toegekend.
Betrokkene heeft een aanvraag ingediend op 19 februari 2004. De toeslag
dient betrokkene derhalve in elk geval met ingang van 19 februari 2003
te worden toegekend. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het
oordeel dat sprake is van een bijzonder geval dat zou kunnen leiden tot
toekenning van de toeslag met verdergaande terugwerkende kracht dan één
jaar vóór de datum van de aanvraag. Hij acht hierbij van belang dat
betrokkene het in 2000 genomen afbouwbesluit had kunnen aanvechten.
Voorts is de Raad niet gebleken dat betrokkene niet in staat is geweest
eerder dan de datum waarop een aanvraag is ingediend, een toeslag aan te
vragen.
Wat betreft de periode vóór 1 januari 2003 dient de aanvraag van
betrokkene te worden beschouwd als een verzoek van betrokkene aan het
Uwv om terug te komen van het in 2000 genomen besluit tot afbouw van de
toeslag. In zijn uitspraak van 30 juni 2006 is de Raad tot het oordeel
gekomen dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren
zijn gebracht en dat niet gezegd kan worden dat appellant heeft
gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan
wel in redelijkheid niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.
De Raad is daarbij ingegaan op de wijze waarop de rechterlijke toetsing
in deze dient plaats te vinden en op de in de destijds voorliggende
zaken gestelde strijd met het gelijkheidsbeginsel, met name in
vergelijking met uitkeringsgerechtigden in Turkije en enkele andere
landen en in vergelijking met Marokkaanse toeslaggerechtigden die
bezwaar hebben gemaakt tegen het aan hen in 2000 uitgereikte besluit tot
afbouw van de toeslag. De Raad ziet geen aanknopingspunten om in het
onderhavige geval tot een ander oordeel te komen.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak het bestreden besluit terecht heeft vernietigd
omdat appellant daarbij de ingangsdatum van de aan betrokkene toegekende
toeslag onjuist heeft vastgesteld. Appellant dient hieromtrent een
nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de
Raad in deze uitspraak heeft overwogen.
Ten aanzien van het verzoek van betrokkene om toepassing van artikel
8:73 van de Algemene wet bestuursrecht merkt de Raad op dat dit verzoek
volgens vaste rechtspraak van de Raad dient te worden toegewezen. Wat
betreft de wijze waarop het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
de aan betrokkene toekomende vergoeding bestaande uit wettelijke rente
over de na te betalen toeslag dient te berekenen verwijst de Raad naar
zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling, nu geen
kosten zijn gevorderd en van voor ambtshalve vergoeding in aanmerking
komende kosten niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de Raad van
bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe
beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak
van de Raad;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot
vergoeding van schade als hiervoor aangegeven.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L.
de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 februari
2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) S. Sweep.
|
|