|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/1258
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 januari 2005,
04/2895 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een
verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2007.
Appellante - ambtshalve opgeroepen - is verschenen in persoon,
bijgestaan door mr. J. Hemelaar, advocaat te Leiden. Het Uwv was
vertegenwoordigd door mr. R.A.C. Rijk.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen van 28 mei 2004 ongegrond verklaard. Daartoe
heeft de rechtbank overwogen dat er geen sprake is van een bijzonder
geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de Toeslagenwet (TW),
zodat het Uwv zich terecht niet bevoegd heeft geacht de aan appellante
toegekende toeslag eerder te doen ingaan dan per 17 december 2002.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij geregeld gebeld
heeft met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dat zij werd
verwezen naar de GSD, die haar terugverwees naar het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Zij werd van het kastje
naar de muur gestuurd en uiteindelijk heeft een medewerker van de GSD
met het Uwv contact opgenomen. Zij heeft de toeslag gekregen, maar niet
met verder terugwerkende kracht dan een jaar.
Het Uwv heeft in het verweerschrift zijn beleid bij aanvraag van een
toeslag uiteengezet en § 390.06 van het Handboek Toeslagenwet
overgelegd. Desgevraagd heeft het Uwv in hoger beroep nader (ten
onrechte niet eerder aan de rechtbank overgelegde) op de zaak betrekking
hebbende stukken ingebracht.
Het Uwv heeft aangegeven dat het schriftelijke aanvraagformulier van
appellante is ontvangen op 17 december 2003; dat is ingevolge het beleid
de datum van aanvraag. Het Uwv heeft voorts gesteld dat geen sprake is
van een bijzonder geval. Weliswaar heeft medewerker Buck nagelaten naar
aanleiding van de telefoontjes van appellante een signaal te geven aan
de medewerker TW van het USZO (één van de rechtsvoorgangers van het
Uwv), maar appellante had zelf actie kunnen en moeten ondernemen toen
zij van het USZO geen duidelijke reactie kreeg op haar verzoek om
toeslag/hogere uitkering. De afwachtende houding van appellante moet in
de ogen van het Uwv zwaarder wegen dan de tekortkoming van het Uwv.
De Raad overweegt als volgt.
Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of sprake is van
een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW.
De Raad beantwoordt die vraag, anders dan de eerste rechter,
bevestigend.
Naar het oordeel van de Raad zijn de omstandigheden van appellantes
geval van dien aard dat dit geval als bijzonder is te beschouwen in de
zin van voornoemd artikelonderdeel. Die omstandigheden zijn de volgende.
Appellante ontvangt sedert 1 januari 1996 een WAO-uitkering. Zij heeft
zich - zoals blijkt uit een memo van 28 januari 1997- op 30 oktober 1996
tot het USZO gewend, aangegeven dat zij financiële problemen heeft in
verband met inhoudingen en verzocht te bekijken of een regeling mogelijk
is. Op 7 november 1996 heeft zij dit verzoek herhaald. Vervolgens heeft
zij zich op 19 november 1996 opnieuw tot het USZO gewend omdat zij nog
geen reactie had gehad. Op 28 januari 1997 is appellante gebeld door
medewerker Buck van het USZO. Deze heeft haar gezegd dat de
loonbelastingverklaring per 1 januari 1997 is verwerkt. Voorts heeft
deze medewerker in het memo opgenomen: “Verder uitzoeken of betr. in
aanmerking komt voor een toeslag tot minimum”. Naar de Raad van het
Uwv heeft begrepen had medewerker Buck vervolgens contact op dienen te
nemen met de TW-medewerker van het USZO in Heerlen; deze TW-medewerker
had dan aan appellante een aanvraagformulier moeten toezenden. Volgens
het Uwv heeft medewerker Buck nagelaten contact op te nemen met de
TW-medewerker in Heerlen. Het Uwv ziet dat als een tekortkoming die aan
hemzelf moet worden toegerekend.
Appellante heeft dus diverse malen contact opgenomen met het Uwv. Het
Uwv heeft evenwel verzuimd appellante een aanvraagformulier toe te
zenden, terwijl het Uwv dat wel had behoren te doen. Appellante heeft
zich voorts - zoals zij onbestreden heeft gesteld - tot de GSD gewend.
De Raad is van oordeel dat appellante aldus voldoende pogingen heeft
gedaan om een aanvraag in te dienen. Haar kan niet verweten worden - nadat zij zich diverse malen tot beide instanties had gewend
- dat zij
niet bleef aandringen op een financiële tegemoetkoming. Bovendien
verkeerde appellante in een moeilijke situatie van ontslag,
echtscheiding en ziekte, waardoor zij wellicht niet in strikte zin
buiten staat was om een aanvraag in te dienen, maar waardoor het wel
extra moeilijk voor haar was om aan te dringen terwijl zij van het
kastje naar de muur werd gestuurd.
Ter zitting heeft appellante voorts toegelicht dat zij niemand had om
haar belangen te behartigen en een aanvraag voor haar in te dienen.
Voorts heeft zij nogmaals aangegeven dat zij veel schulden heeft gemaakt
die nog niet zijn afgelost.
Alles bijeen genomen is de Raad - binnen de grenzen blijvende van de
beperkte toetsing die hem te dezen toekomt - tot het oordeel gekomen dat
de datum van ingang van appellantes toeslag in ieder geval gesteld dient
te worden op een tijdstip dat niet gelegen is na 28 januari 1996 (een
jaar voordat medewerker Buck de aanvraag in gang had dienen te zetten).
Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 28 mei 2004 dient te
worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit
in stand is gelaten.
Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van
appellante welke worden begroot op € 322,= voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 mei 2004 gegrond en
vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger
beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 139,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en I.M.J.
Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 16 maart 2007.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) J.J. Janssen.
|
|