|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 06/4563
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 23 juni 2006,
05/5386 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een
verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 9 februari 2007.
Appellant noch zijn gemachtigde is verschenen.
Het Uwv was vertegenwoordigd door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
De gemachtigde van appellant heeft bij fax ontvangen zeer kort voor de
aanvang van het onderzoek ter zitting verzocht om uitstel van de
behandeling. Dit omdat hij op weg naar de Raad is overvallen door
hoofdpijn en hij daarom terug is gegaan naar zijn kantoor.
Naar het oordeel van de Raad kan hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd
niet worden aangemerkt als een uitzonderlijke omstandigheid die uitstel
van het onderzoek ter zitting rechtvaardigt.
Vervolgens komt de Raad toe aan de inhoudelijke behandeling van de zaak.
Bij besluit van 24 november 2004 heeft het Uwv op de aanvraag van
appellant van 1 november 2004 om een toeslag krachtens de Toeslagenwet
(TW) besloten tot toekenning van de toeslag per 1 november 2003.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Naar zijn mening
verkeerde hij in zodanig bijzondere omstandigheden dat het Uwv gebonden
was tot toekenning van de uitkering met terugwerkende kracht van langer
dan een jaar.
Bij besluit van 22 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het
Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder de overweging dat
nu uit de ter beschikking staande gegevens blijkt dat appellant na te
zijn overvallen in Suriname op 3 februari 2003, op 22 februari 2003 zelfstandig is teruggekeerd naar
Nederland, vervolgens zelf contact met het Uwv heeft opgenomen in
verband met zijn WAO-beoordeling en ook tijdens de gesprekken met de
verzekeringsarts op 12 maart 2003 en met de arbeidsdeskundige op 12 mei
2003 geen aanwijzing voor psychische problemen naar voren zijn gekomen,
appellant in staat moest worden geacht tijdig het aanvraagformulier TW
in te dienen. De rechtbank is dan ook tot het oordeel gekomen dat er
geen sprake is van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel
11, zevende lid, tweede volzin van de TW, die een uitzondering op de
hoofdregel, - een recht op toeslag kan niet worden vastgesteld over
periodes gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag waarop de
aanvraag over toeslag werd ingediend - rechtvaardigt.
In hoger beroep heeft appellant (kort samengevat) aangevoerd dat de
rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om een
psychiatrische expertise door een onafhankelijk psychiater te laten
verrichten, nu zij blijkbaar twijfelde aan de door appellant gestelde
bijzondere omstandigheden ten gevolge van de posttraumatische stressstoornis.
Naar het oordeel van de Raad slaagt deze grief van appellant niet. De
Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat uit de stukken niet
aannemelijk is geworden dat appellant destijds niet in staat was om
binnen zes weken na het besluit van 28 mei 2003 tot toekenning van een
gedeeltelijke WAO-uitkering een aanvraag om een toeslag in te dienen en
stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake.
Bovendien wil de Raad nog opmerken dat appellant wel in staat was om
tijdig een bezwaarschrift te (doen) indienen tegen het WAO-besluit van
28 mei 2003, hetgeen niet valt te rijmen met de stelling van appellant
dat zijn psychische gesteldheid hem verhinderde om tijdig de toeslag aan
te (doen) vragen.
Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 23 maart 2007.
(get.) J. Brand.
(get.) N.E. Nijdam.
|
|