|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/3369
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 mei 2004, 02/1091
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 april 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2007.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen
door W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met ingang van 11 oktober 1995
heeft het Uwv hem een toeslag ingevolge de Toeslagenwet toegekend. Deze
toeslag is vastgesteld op 30% van het toen geldende wettelijke
minimumloon, zijnde de maximale toeslag. Nadat de toeslag in verband met
gewijzigde huiselijke omstandigheden van appellant gedurende enige tijd
op een ander bedrag was vastgesteld, bedroeg deze per 1 september 1999 weer 30% van het wettelijk minimumloon.
In maart 2001 heeft appellant het Uwv medegedeeld dat zijn echtgenote
gelden ontving in verband met de verzorging van hun twee gehandicapte
kinderen. Nadat het Uwv appellant aanvankelijk had bericht dat deze
gelden voor de berekening van appellants toeslag niet werden aangemerkt
als inkomsten uit arbeid van zijn echtgenote, heeft het Uwv zich later
op het standpunt gesteld dat deze inkomsten uit het zogeheten
persoonsgebonden budget (pgb) van de kinderen wel bij de vaststelling
van de hoogte van de toeslag dienen te worden betrokken.
Bij besluit van 30 juli 2002 heeft het Uwv de aan appellant toekomende
toeslag opnieuw berekend. Daarbij is het totale gezinsinkomen, bestaande
uit appellants WAO-uitkering en de inkomsten van appellants echtgenote
uit het pgb, afgetrokken van het wettelijk minimumloon. Aangezien de
uitkomst van deze berekening lag boven de toen geldende maximale
toeslag, te weten 30% van het wettelijk minimumloon, is de toeslag op
dit laatste bedrag vastgesteld.
Bij besluit van 18 oktober 2002 heeft het Uwv zijn besluit van 30 juli
2002 na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft appellants beroep tegen
het besluit van 18 oktober 2002 ongegrond verklaard.
Hangende de procedure in hoger beroep is aan partijen de vraag
voorgelegd welk belang appellant heeft bij het aanvechten van het
bestreden besluit.
De Raad overweegt het volgende.
Ten tijde hier van belang bedroeg de maximale toeslag ingevolge de
Toeslagenwet 30% van het wettelijk minimumloon. De toeslag waarop recht
bestond, werd berekend door het totale gezinsinkomen af te trekken van
het wettelijk minimumloon. Bedroeg het aldus berekende bedrag aan
toeslag meer dan 30% van het wettelijk minimumloon, dan werd de toeslag
op dit laatste bedrag vastgesteld.
Bij het besluit van 30 juli 2002 is appellants toeslag op het maximale
bedrag van 30% van het wettelijk minimumloon vastgesteld. Nu appellant
met zijn rechtsmiddelen tegen dit besluit niet méér kan
bewerkstelligen dan wat hij aan toeslag heeft ontvangen, is de Raad van
oordeel dat hij bij die rechtsmiddelen geen belang had. De door
appellant opgeworpen vraag of de inkomsten van zijn echtgenote uit het
pgb voor de toepassing van de Toeslagenwet moesten worden aangemerkt als
inkomsten uit arbeid, is slechts van theoretisch belang. Appellants
bezwaar had derhalve niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te
worden vernietigd, evenals het besluit van 18 oktober 2002. Het bezwaar
van appellant tegen het besluit van 30 juli 2002 zal niet-ontvankelijk
worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uitkeringsinstituut
werknemersverzekeringen te veroordelen in de proceskosten van appellant
in eerste aanleg. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg. In hoger beroep zijn geen proceskosten
gevorderd en is de Raad van voor ambtshalve voor vergoeding in
aanmerking komende kosten niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2002 gegrond en
vernietigt dat besluit;
Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2002
niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitkeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste
aanleg tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het
Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L.
de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
P.H.
Broier als griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 april 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.
|
|