|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/4261
TW en 05/5863 TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 mei 2005, nr.
04/1976 (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 juni 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en, desgevraagd, een aantal
nadere stukken in het geding gebracht, waaronder een nader besluit van
15 februari 2005.
Bij brieven van respectievelijk 29 september 2005 en 10 november 2005
heeft de griffier van de Raad aan partijen medegedeeld dat de Raad
vooralsnog heeft besloten om bij de behandeling van het geding onder nr.
05/4261 TW tevens een oordeel te geven over de besluiten van 15 februari
2005 en 2 september 2005.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2007. Appellant
is zoals tevoren was bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 22 juli 1998 is aan appellant met ingang van 16 juli
1998, in aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), een (gezins)toeslag ingevolge
de Toeslagenwet (TW) toegekend.
Appellants echtgenote heeft van 21 april 2003 tot 21 mei 2003
werkzaamheden in loondienst verricht. Daarvan is nagenoeg direct
mededeling gedaan aan het Uwv. Aan appellants echtgenote is vervolgens
tot 21 mei 2004 een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend.
Bij brief van 14 juni 2004 heeft het Uwv appellants toeslag over de
periode van 21 april 2003 tot 21 mei 2003 gewijzigd. Bij besluit van 15
juni 2004 is het over die periode onverschuldigd betaalde bedrag aan
toeslag ad € 64,10 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 15
juni 2004 is aan appellant medegedeeld dat zijn toeslag met ingang van
21 mei 2003 is beëindigd. Bij besluit van dezelfde datum is over de
periode 21 mei 2003 tot en met 30 juni 2004 een bedrag van € 4.810,19
(bruto) aan onverschuldigd betaalde toeslag van appellant
teruggevorderd. Daarbij is tevens aangegeven dat uit de aan het Uwv
bekende gegevens niet is gebleken van dringende redenen om geheel of
gedeeltelijk af te zien van terugvordering.
Bij brief van 19 juli 2004 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen
‘beide beslissingen van 15 juni 2004’. Daarbij is naar voren
gebracht dat door het Uwv niet tijdig is gereageerd op de door
appellants echtgenote ingestuurde informatie. Opgemerkt wordt verder dat
na de Ziektewetperiode aan appellants echtgenote een voorlopige
uitkering ingevolge de WAO is toegekend. Indien mocht blijken dat geen
recht bestaat op een WAO-uitkering kan dit van invloed zijn op de
uitkering van appellant. Gezien het functioneren van het Uwv in deze
zaak moet worden geconcludeerd tot dringende redenen die rechtvaardigen
geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Bij besluit van 15 oktober 2004, heeft het Uwv beslist op het
bezwaarschrift van appellant. Vastgesteld wordt dat het bezwaar gericht
is tegen de terugvorderingsbeslissingen van 15 juni 2004.
Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad wordt opgemerkt dat er
geen dringende redenen zijn aangevoerd om geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien. Op die grond wordt het bezwaar tegen de
terugvordering over de periode van 21 april 2003 tot 21 mei 2003
ongegrond verklaard.
Met betrekking tot de periode van 21 mei 2003 tot en met 30 juni 2004
wordt het bezwaar - gelet op de samenhang tussen het recht op toeslag
van appellant en de aanspraak op een WAO-uitkering van appellants
echtgenote - gegrond verklaard. Uit informatie van het Uwv Heerlen is
gebleken dat de aanvraag om een uitkering ingevolge de WAO van
appellants echtgenote inmiddels is afgewezen. Dat betekent dat appellant
hoogstwaarschijnlijk met ingang van 19 mei 2004 weer recht heeft op
toeslag ingevolge de TW. Het teruggevorderde bedrag aan onverschuldigd
betaalde toeslag is dan ook te hoog.
In beroep is namens appellant aangevoerd dat bij de toetsing aan
dringende redenen om van terugvordering af te zien geen juiste
belangenafweging heeft plaatsgevonden. Aan het Uwv is bekend dat
appellant manisch depressief is. Daarnaast wordt herhaald dat het Uwv
dermate onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin een dringende reden is
gelegen om de terugvordering te matigen.
Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft het Uwv aan appellant laten weten
dat het bedrag van de terugvordering € 4.333,27 bedraagt. Bij besluit
van 8 februari 2005 heeft het Uwv - onder meer - dit besluit ingetrokken
omdat het op een onjuiste wettelijke grondslag berustte. Bij besluit van
15 februari 2005, hierna: besluit 2, is het bedrag dat wordt
teruggevorderd weer vastgesteld op € 4.333,27.
Blijkens het proces verbaal van de zitting van 18 maart 2005 is namens
appellant verklaard dat (ook) tegen dit besluit beroep is ingesteld.
Opgemerkt is verder dat enkel in geschil is de terugvordering over de
periode van 21 mei 2003 tot en met 30 juni 2004.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 15 oktober 2004,
waarbij het bezwaar gegrond is verklaard, is genomen in strijd met het
bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu dit
besluit de rechtsgevolgen van de gegrondverklaring van het bezwaar niet
nader bepaalt. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het besluit van
8 februari 2005 (bedoeld moet zijn 15 februari 2005), waarbij het bedrag
van de terugvordering is bepaald op € 4.333,27, ‘gelet op het feit
dat de terugvordering met het thans bestreden besluit feitelijk c.q.
formeel niet langer bestaat en gelet op het systeem van de wet waaronder
begrepen de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb’, niet betrokken dient
te worden in de procedure. Het beroep wordt gegrond verklaard en het
besluit van 15 oktober 2004 wordt vernietigd. De rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit, namelijk dat ‘de terugvordering van € 4.810,19
over de periode van 21 mei 2003 tot en met 30 juni 2004 niet langer
bestaat’, worden in stand gelaten.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij er recht op heeft
uitsluitsel te krijgen omtrent de hoogte van het terug te betalen
bedrag, gezien zijn precaire financiële situatie. Verder worden de in
eerste aanleg aangevoerde grieven in essentie herhaald.
Bij brief van 9 september 2005 is namens appellant een beslissing van
het Uwv van 2 september 2005 overlegd, waarin is beslist op het bezwaar
van appellant tegen het besluit van 15 februari 2005. Bijgevoegd zijn
een verslag van de op 27 mei 2005 gehouden hoorzitting en een rapportage
van de bezwaarverzekeringsarts C. van der Kooij. Tijdens de hoorzitting
is door de gemachtigde van appellant opgemerkt dat op grond van de
psychische klachten van appellant - vanwege de ernstige financiële
situatie van appellant en zijn echtgenote - er sprake is van dringende
redenen om de terugvordering te mitigeren. Volgens Van der Kooij wordt
in de Uwv-rapporten echter niet een dermate ontspoorde situatie rondom
appellant beschreven, dat daarin een dringende reden kan worden gevonden
voor matiging van de terugvordering.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad stelt, met de rechtbank, voorop dat het Uwv, in strijd met het
bepaalde in artikel 7:11 van de Awb, bij het besluit op bezwaar van 15
oktober 2004 heeft volstaan met de gegrondverklaring van het bezwaar en
heeft nagelaten, nu dat nodig was, in de plaats van het besluit van 15
juni 2004 een nieuw besluit te nemen. Anders dan de rechtbank is de Raad
echter, ambtshalve, van oordeel dat de nadere door het Uwv genomen
besluiten, culminerend in het besluit van 15 februari 2005, door de
rechtbank bij het geding betrokken hadden moeten worden, nu, in elk
geval laatstgenoemd besluit, dient te worden aangemerkt als het
inhoudelijke complement van het besluit van 15 oktober 2004. Daaruit
volgt dat de rechtbank slechts een deel van het in beroep voorliggende
besluit in de procedure heeft betrokken, zodat de uitspraak dient te
worden vernietigd wegens strijd met artikel 8:69 van de Awb.
De Raad kan de zaak zelf afdoen.
De Raad stelt voorop dat de in hoger beroep in geding gebrachte
beslissing van 2 september 2005 niet kan worden aangemerkt als een
wijzigingsbesluit met betrekking tot het besluit van 15 oktober 2004,
als aangevuld bij het besluit van 15 februari 2005. De beslissing van 2 september 2005 dient naar het
oordeel van de Raad te worden gezien als een nadere motivering van
genoemde eerdere besluiten. Daaruit volgt dat de Raad, anders dan
aanvankelijk aan partijen is gemeld, niet op basis van artikel 6:24
juncto artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, in de onderhavige procedure
tevens een oordeel zal geven over dit besluit.
Ten gronde verschillen partijen van mening over de vraag of op grond van
dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de TW, het
Uwv geheel of gedeeltelijk had dienen af te zien van de terugvordering
van de onverschuldigd betaalde toeslag ad € 4.333,27 (bruto) over de
periode van 21 mei 2003 tot en met 18 mei 2004.
Namens appellant is in dit verband gewezen op de trage besluitvorming
door het Uwv en de psychische problematiek van appellant. Het Uwv heeft
gemotiveerd bestreden dat er sprake is van dringende redenen. De Raad
wijst in dit verband op de beslissing op bezwaar van 15 oktober 2004,
waarin uitgebreid is ingegaan op de jurisprudentie van Raad met
betrekking tot dit begrip. Verder heeft het Uwv een rapportage van de
bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij in het geding gebracht, waarin
gemotiveerd wordt bestreden dat er medische gronden zouden zijn om
dringende redenen aan te nemen.
De Raad kan zich verenigen met het standpunt van het Uwv in dezen. Ook
naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat er in het
onderhavige geval sprake is van dermate onaanvaardbare, sociale, financiële
of immateriële gevolgen voortvloeiend uit de terugvordering, dat het
Uwv rechtens gehouden moet worden geacht om geheel of ten dele van de
terugvordering af te zien.
Het vorenstaande brengt mee dat het beroep dat appellant geacht wordt te
hebben ingesteld tegen het besluit van 15 oktober 2004, als aangevuld bij het besluit van 15 februari 2005,
ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de
beslissingen aangaande de proceskosten en het griffierecht;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2004, als
aangevuld bij het besluit van 15 februari 2005, ongegrond;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot
een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter
en H.J. Simon en E. Dijt als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 27 juni 2007.
(get.) M.S.E. Wuffraat-van Dijk.
(get.) M. Gunter.
|
|