|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/3488
TW en 04/4164 TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 mei 2004, nr. 03/1929
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 5 juli 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Door appellant is een nieuwe beslissing op bezwaar in het geding
gebracht gedateerd 29 juli 2004.
Bij brief van 4 augustus 2004 heeft de Raad aan partijen laten weten bij
de behandeling van dit geding tevens een oordeel te geven over het
nadere besluit van 29 juli 2004.
Namens betrokkene heeft mr. J.G.F. Smallenbroek, advocaat te Malden, een
verweerschrift ingediend.
Op 13 oktober 2006 heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden.
Betrokkene is verschenen bij mr. Smallenbroek voornoemd. Appellant heeft
zich laten vertegenwoordigen door mr. I.H. Nuyens. Het onderzoek is ter
zitting geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen
onderling tot een vergelijk te komen. Het onderzoek is hervat op 2
februari 2007. Voor betrokkene is wederom verschenen mr. Smallenbroek.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Aan betrokkene is, als aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), bij besluit van 3 juni 1999
met ingang van 1 juni 1999 een (gezins)uitkering ingevolge de
Toeslagenwet (TW) toegekend van f. 32,35 per dag. Voordien waren betrokkene en zijn partner, mevrouw
[naam partner], bij vonnis van de rechtbank van 15 maart 1999 opgenomen
in de schuldsanering. Beider bewindvoerder was de gemachtigde in de
huidige procedure, mr. Smallenbroek.
Op 28 oktober 2000 is door Smallenbroek namens [naam partner] een
WAZ-uitkering aangevraagd. Na toekenning van een voorschot bij besluit
van 11 december 2001, is bij besluit van 21 december 2001 met ingang van
28 oktober 1999 aan [naam partner] een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend. Bij
brief van 24 november 2001 heeft de bewindvoerder appellant verzocht de uitkering
te storten op zijn (boedel)rekening. In april 2002 is de schuldsanering
van betrokkene en [naam partner] beëindigd. Bij inlichtingenformulier
gedagtekend 15 augustus 2002, ontvangen op 8 november 2002, heeft
betrokkene aan appellant gemeld dat [naam partner] een WAZ-uitkering
ontving.
Bij besluit van 16 april 2003 is de toeslag per 28 oktober 1999
ingetrokken. Als grond voor de intrekking wordt gewezen op de inkomsten
van [naam partner]. Bij besluit van 17 april 2003 is van betrokkene een
bedrag van € 4.787,14 (bruto) aan onverschuldigd betaalde toeslag
teruggevorderd. Na bekendmaking van het voornemen tot oplegging van een
boete op dezelfde datum is bij besluit van 22 april 2003 aan betrokkene
een boete opgelegd van € 484,-. Bij brief van 3 juni 2003 is door
appellant aan betrokkene schriftelijk bevestigd dat is afgesproken dat
de terugvordering wordt voldaan door verrekening van € 50,- per maand
met zijn uitkering.
In bezwaar is namens betrokkene aangevoerd dat de WAZ-uitkering door de
bewindvoerder namens [naam partner] is aangevraagd. De
toekenningsbeslissing is naar de bewindvoerder gegaan. De uitkeringen
zijn direct op de boedelrekeningen gestort. Betrokkene had geen weet van
de WAZ-uitkering van [naam partner]. De inlichtingenformulieren zijn dan
ook niet onjuist ingevuld. Met betrekking tot de boete wordt opgemerkt
dat betrokkene niet verwijtbaar heeft gehandeld. Appellant is niet
benadeeld. Betrokkene noch [naam partner] hebben profijt gehad van de
WAZ-uitkering. Betrokkene heeft aan zijn informatieverplichting voldaan,
zoals in redelijkheid van hem verwacht mocht worden.
Het bezwaar is - voor zover hier van belang - bij besluit van 16 juli
2003, hierna: besluit 1, gegrond verklaard en vastgesteld is dat ten
onrechte de toeslag per 28 oktober 1998 is beëindigd. Per genoemde
datum heeft betrokkene recht op een toeslag van € 0,30 per dag.
Opgemerkt wordt dat appellant nimmer door of namens betrokkene en/of
[naam partner] is geïnformeerd over de aanvraag en toekenning van de
WAZ-uitkering aan [naam partner].
Nu dit eerst is gebeurd bij het inlichtingenformulier dat is ontvangen
op 8 november 2002 is herziening met terugwerkende kracht tot 28 oktober
1999 aan de orde.
Ten aanzien van de terugvordering wordt het onverschuldigd betaalde
bedrag berekend op € 4.845,72 (bruto). Opgemerkt wordt dat, in verband
met het verbod van reformatio in peius, de terugvordering wordt
gehandhaafd op € 4.787,14.
Ten aanzien van de boete wordt opgemerkt dat betrokkene en [naam
partner] zich niet hebben gehouden aan hun inlichtingenverplichting. De
oplegging van de boete ad 10% van het terugvorderingsbedrag, met een
afronding naar boven tot een veelvoud van € 11,-, is dan ook
verplicht.
In beroep is namens betrokkene herhaald dat hij te goeder trouw heeft
gehandeld en dat hij geen enkel voordeel heeft gehad van de achteraf
onjuiste vaststelling van de hoogte van de toeslag.
De rechtbank volgt appellant niet in het oordeel dat de toeslag met
ingang van 28 oktober 1999 dient te worden herzien. De rechtbank is van
oordeel dat de herziening van de toeslag (eerst) kan ingaan op 28
oktober 2000. Met betrekking tot laatstgenoemde datum verwijst de
rechtbank primair naar de tekst van het Inlichtingenformulier WAO,
Wajong, WAZ en TW waar, onder het kopje 'verplichtingen', onder meer
vermeld wordt dat van het ontvangen of aanvragen van een uitkering door
betrokkene zelf of zijn partner onmiddellijk melding moet worden gedaan
aan appellant. Nu betrokkene eerst een jaar nadien de aanvraag van de
WAZ-uitkering door [naam partner] aan appellant heeft gemeld, is in
zoverre de inlichtingenverplichting ex artikel 12 van de TW geschonden.
Als gevolg hiervan is aan betrokkene vanaf 28 oktober 2000 teveel
toeslag uitgekeerd. De rechtbank merkt verder op dat op grond van de
Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen
(hierna: de Regeling), indien wel tijdig melding was gemaakt van de
WAZ-aanvraag, de herziening van de toeslag zou zijn geëffectueerd met
ingang van 28 oktober 2000. Vanaf dat moment kon het betrokkene
redelijkerwijs duidelijk zijn dat teveel toeslag werd verstrekt.
Ten aanzien van de periode vóór 28 oktober 2000 kan niet worden gezegd
dat ten gevolge van schending van de inlichtingenverplichting ten
onrechte toeslag is verstrekt. Evenmin kon het betrokkene, mede gelet op
de Regeling, redelijkerwijs duidelijk zijn dat hem teveel toeslag werd
verstrekt. Het in de Bijlage van de Regeling gestelde onder het kopje
'Niet redelijkerwijs duidelijk' brengt niet mee dat in het onderhavige
geval de toeslag met ingang van de datum van toekenning van de
WAZ-uitkering (28 oktober 1999) kan worden herzien, nu niet aan
betrokkene (als belanghebbende), maar aan [naam partner] een uitkering
is verstrekt.
De rechtbank heeft verder vastgesteld dat, nu de herziening (deels) niet
in stand kan blijven, dit ook geldt voor de terugvordering en de boete.
Daarnaast is de rechtbank ten aanzien van de boete van oordeel dat
appellant ten onrechte in het geheel geen overwegingen heeft gewijd aan
de afstemming van de boete, zodat de boete ook om deze reden niet in
stand kan blijven.
In hoger beroep is door appellant naar voren gebracht dat hij bij nader
inzien met de rechtbank van oordeel is dat in de periode van 28 oktober
1999 tot 28 oktober 2000 geen sprake is van een schending van de
inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, onder
a, van de TW. Dat betekent, aldus appellant, echter niet dat de
toegekende toeslag niet kan worden herzien. Appellant wijst in dit
verband op artikel 11a, eerste lid, onder b, van de TW, waar is geregeld
dat de toeslag kan worden herzien indien anderszins de toeslag ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend. Ter aanvulling op deze
bepaling is beleid vastgesteld dat is neergelegd in de Regeling. In de
Bijlage bij dit besluit onder punt 3, tweede liggend streepje met het
kopje ‘Niet redelijkerwijs duidelijk’ is nader beleid neergelegd om
te voorkomen dat er een dubbele uitkering betaalbaar wordt gesteld.
Hierbij is niet de specifieke - alleen bij een recht op toeslag
bestaande - situatie beschreven, waarin gezien het totale gezinsinkomen
een dubbele uitkering wordt verstrekt. Dit maakt echter niet dat daarmee
de hoofdregel neergelegd in artikel 11a, eerste lid, van de TW, niet van
toepassing zou zijn, aldus appellant.
De rechtbank heeft dan ook ten onrechte het besluit van 16 juli 2003
vernietigd voor zover het gaat om het recht op toeslag over de periode
van 28 oktober 1999 tot 28 oktober 2000. In het verlengde hiervan is ook
ten onrechte het terugvorderingsbesluit vernietigd.
Ten aanzien van de boete wordt een gewijzigd standpunt ingenomen. In
verband hiermee is een nader besluit genomen van 29 juli 2004. Bij dit
besluit is de boete vastgesteld op € 330,-. Dit bedrag is bepaald aan
de hand van de onverschuldigd betaalde toeslag vanaf 28 oktober 2000, de
datum vanaf welke er gesproken kan worden van een schending van de
inlichtingenverplichting. Door appellant is verder ingegaan op de
stellingen van betrokkene dat hem geen verwijt treft en betrokkene geen
voordeel heeft genoten van de te hoge toeslag. Ten aanzien van het
eerste punt wordt opgemerkt dat [naam partner] de
inlichtingenformulieren heeft ingevuld en dat in de ruimte voor vragen
of opmerkingen tijdig gemeld had kunnen worden dat door [naam partner]
een aanvraag voor een uitkering ingevolge de WAZ was ingediend. Volgens
appellant zijn er geen termen aanwezig op grond waarvan geoordeeld zou
moeten worden dat deze nalatigheid betrokkene niet of verminderd te
verwijten zou zijn. Verder wordt opgemerkt dat appellant wel degelijk is
benadeeld door de ten onrechte uitbetaalde toeslag. Ten slotte wordt
opgemerkt dat de uitgekeerde toeslag ten goede is gekomen van de
crediteuren van betrokkene en
[naam partner]. De betalingen zijn aldus aangewend voor verbetering van
hun financiële situatie. Van dringende redenen om de boete te matigen
is geen sprake.
In verweer - en in het beroep dat betrokkene geacht wordt te hebben
ingesteld tegen het besluit van 29 juli 2004 - is aangevoerd dat er wel
degelijk sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te
zien. Deze redenen bestaan in de onaanvaardbaarheid van de sociale en/of
financiële consequenties voor betrokkene. Betrokkene en [naam partner]
leven op het bestaansminimum. Betrokkene is ernstig ziek. Terugbetaling
leidt tot onaanvaardbare druk op hem en zijn gezin. Daarbij moet worden
meegewogen de goede trouw van betrokkene en het feit dat hij geen
voordeel heeft gehad van de uitkering. Naar aanleiding van het
boetebesluit wordt gewezen op de inconsistentie van het besluit. De
boete gaat lopen vanaf de schending van de inlichtingenverplichting. De
herziening en terugvordering beslaan echter ook de periode daarvoor.
De Raad oordeelt als volgt.
Ten aanzien van het hoger beroep van appellant merkt de Raad op dat uit
artikel 11a, eerste lid, van de TW, volgt dat indien de uitkering ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, appellant gehouden is
het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Met betrekking
tot de toepassing van deze bepaling hanteert appellant het beleid als
neergelegd in de Regeling. In onderdeel 3 van de Bijlage bij de Regeling
is ten aanzien van herziening of intrekking - voor zover hier van belang
- het volgende bepaald:
“- Niet redelijkerwijs duidelijk
(...)
Indien aan belanghebbende over een periode waarover ten onrechte of tot
een te hoog bedrag uitkering is verstrekt een andere uitkering wordt
verstrekt, wordt de beslissing over eerstbedoelde periode ingetrokken of
herzien met ingang van de datum waarop de andere uitkering wordt
verstrekt. De ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte
uitkering wordt met de andere uitkering verrekend; voor zover een hoger
bedrag is verstrekt dan het bedrag van de andere uitkering wordt het
meerdere niet teruggevorderd.”
De Raad heeft al meermalen geoordeeld dat deze beleidsregels niet in
strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of
algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het
beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.
De Raad kan en zal in het midden laten of het betrokkene voor de periode
van 28 oktober 1999 tot en met 28 oktober 2000 redelijkerwijs duidelijk
kon zijn dat hij ten onrechte toeslag ontving. Voor zover al gezegd moet
worden dat het ten onrechte verstrekken van toeslag betrokkene (toen)
niet duidelijk kon zijn, is de hiervoor aangehaalde alinea van het
beleid van appellant van toepassing. Uit deze passage volgt dat na
toekenning van een andere uitkering, zoals in dit geval de uitkering
ingevolge de WAZ, de (deels) ten onrechte eerder toegekende uitkering
ingevolge de TW herzien kan worden, zij het met inachtneming van een
hier niet aan de orde zijnde beperking. Dat in casu de andere uitkering
de uitkering van [naam partner] betreft maakt dat niet anders, nu
kenmerkend is voor de TW dat het, in een situatie als de onderhavige,
een gezinsuitkering is. Bepalend voor een eventueel recht op toeslag is
het inkomen van beide partners. Daarnaast maakt de TW beide partners
verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van de verstrekking van toeslag.
Voor het onderhavige geval betekent dit dat het niet-melden van de
aanvraag van de WAZ-uitkering door [naam partner], op grond van de TW in
samenhang met de Regeling, dient te leiden tot herziening van het recht
op toeslag van betrokkene. Nu de Raad niet is gebleken van dringende
redenen die appellant hadden moeten nopen van herziening van de toeslag
af te zien moet de Raad concluderen dat de rechtbank het besluit van 16
juli 2003 in zoverre ten onrechte heeft vernietigd. Het hoger beroep is
door appellant dan ook terecht ingesteld.
Het vorenstaande brengt mee dat in zoverre ook de terugvordering door de
rechtbank ten onrechte is vernietigd. Ten aanzien van het beroep dat
namens betrokkene is gedaan op dringende redenen om van terugvordering
af te zien, merkt de Raad op dat naar zijn oordeel niet kan worden
gezegd dat er in het onderhavige geval sprake is van dermate
onaanvaardbare, sociale, financiële of immateriële gevolgen
voortvloeiend uit de terugvordering, dat appellant rechtens gehouden
moet worden geacht om geheel of ten dele van de terugvordering af te
zien. Het hoger beroep is ook in zoverre terecht ingesteld.
Ten aanzien van het beroep dat betrokkene geacht wordt te hebben
ingesteld tegen het besluit van 29 juni 2004 met betrekking tot de boete
overweegt de Raad als volgt.
De Raad stelt voorop dat de grief van betrokkene dat hem in het geheel
geen verwijt treft en dat op die grond appellant had dienen af te zien
van het opleggen van de boete niet slaagt. In dat verband wijst de Raad
er allereerst op dat de TW op beide partners een
inlichtingenverplichting legt. De regeling in de TW brengt mee dat
schending van de inlichtingenverplichting door [naam partner] kan leiden
tot de oplegging van een boete aan betrokkene. In zoverre vindt
betrokkenes grief geen steun in de TW. Maar ook afgezien van de regeling
in de TW slaagt deze grief niet. De Raad stelt daarbij voorop dat niet
in geschil is dat [naam partner] aan de bewindvoerder toestemming heeft
verleend tot het aanvragen van een WAZ-uitkering. Ook anderszins heeft
zij haar medewerking verleend aan het slagen van de aanvraag. Daarvan
uitgaande acht de Raad, in een gezinssituatie als de onderhavige, de -
verder niet onderbouwde - stelling van betrokkene dat hij niet op de
hoogte was van de aanvraag en toekenning van WAZ-uitkering niet
geloofwaardig.
Nu betrokkene diende te weten dat een (eventuele) WAZ-uitkering van
[naam partner], in zijn situatie, van invloed kon zijn op zijn recht op
toeslag, kan hem zelf een verwijt worden gemaakt dat hij van dit feit
geen melding heeft gemaakt aan appellant.
Ten aanzien van de grief dat appellant niet is benadeeld merkt de Raad
op dat door appellant ten onrechte toeslag aan betrokkene is uitbetaald,
waarmee de benadeling van appellant is gegeven. Ook de stelling van
betrokkene dat hij niet is bevoordeeld - voor zover al relevant voor de
beslechting van het onderhavige geschilpunt - slaagt niet, nu vaststaat
dat de toeslag (deels) ten goede is gekomen aan de crediteuren van
betrokkene. Dankzij de toeslag heeft betrokkene (deels) aan zijn
juridische verplichtingen kunnen voldoen.
De Raad concludeert dat, nu niet is gebleken van dringende redenen die
appellant hadden moeten nopen om tot (verdere) verlaging van de boete
over te gaan, het besluit van 29 juli 2004 in zoverre stand kan houden.
Het beroep dat betrokkene geacht wordt tegen dit besluit te hebben
ingesteld slaagt dan ook niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre ongegrond;
Verklaart het beroep dat betrokkene geacht wordt te hebben ingesteld
tegen het besluit van 29 juli 2004 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon
en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H.
Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) P.H. Broier.
|
|