|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/2321
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2005, 04/2712
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 11 juli 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. C. Steijgerwalt, advocaat te Rotterdam, een
verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door P. Sumrutcu,
werkzaam op het kantoor van mr. Steijgerwalt. Voorts was aanwezig de
tolk S. Haroutioun.
II. OVERWEGINGEN
Appellant heeft bij besluit van 13 februari 2004 de eerder aan
betrokkene toegekende toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) met
ingang van 23 juni 2001 be๋indigd omdat uit onderzoek zou zijn gebleken
dat betrokkene per 23 juni 2001 samenwoont met haar echtgenoot. Bij
besluit van 13 april 2004 heeft appellant de over de periode van 23 juni 2001 tot en met 29 februari 2004 teveel betaalde toeslag ad
7.057,72 van betrokkene teruggevorderd. De bezwaren van betrokkene tegen
deze beide besluiten heeft appellant bij besluit van 31 augustus 2004
(bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer
het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit berust op
onvoldoende onderzoek naar de van belang zijnde feiten.
In hoger beroep heeft appellant gemotiveerd betwist dat onvoldoende
onderzoek heeft plaatsgevonden.
De Raad overweegt als volgt.
Vaststaat dat betrokkene en [K.] ten tijde in dit geding van belang
gehuwd waren. Derhalve heeft de rechtbank, in navolging van appellant,
door toetsing aan het criterium gezamenlijke huishouding een onjuiste
wettelijke maatstaf aangelegd. Appellant had moeten beoordelen of
betrokkene ten tijde hier van belang duurzaam gescheiden leefde van haar
echtgenoot en mitsdien als ongehuwde in de zin van artikel 1, derde lid,
onder b, van de TW diende te worden aangemerkt. Nu de rechtbank het
bestreden besluit heeft vernietigd, komt de aangevallen uitspraak, met
verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.
Vervolgens heeft de Raad beoordeeld of er aanleiding is de
rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is van duurzaam gescheiden
levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen,
of ้้n van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenwoning
betreft, waardoor ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt als
ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste ้้n
van hen als bestendig is bedoeld.
Vaststaat dat betrokkene en [K.] per 23 juni 2001 een door hen beiden
ondertekend huurcontract hebben gesloten voor de woning [adres 1], dat
een aanvraag voor energie bij Eneco is gedaan voor een
gezinssamenstelling van vijf personen, te weten twee volwassenen en drie
kinderen, dat [K.] niet over een andere vaste woon- en verblijfplaats
beschikte, dat [K.] regelmatig in de woning verbleef en op de bank bleef
slapen en dat [K.] gedurende een achttal maanden voor de schoonfamilie
van zijn dochter heeft gedaan alsof hij nog steeds (echt) gehuwd was met
betrokkene, in welke periode [K.] - evenals zijn dochter en schoonzoon -
op het adres [adres 1] verbleef.
Deze feiten en omstandigheden leiden de Raad tot de conclusie dat ten
tijde hier van belang niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden
leven in voormelde zin. Dit betekent dat, nu blijkens de gedingstukken
de inkomsten van betrokkene en [K.] gezamenlijk meer dan het wettelijk
minimumloon bedroegen, betrokkene geen recht had op een toeslag.
Aangezien betrokkene gedurende de in geding zijnde periode aan gedaagde
heeft gemeld dat [K.] niet meer bij haar woonde, heeft zij gehandeld in
strijd met de ingevolge artikel 12 van de TW op haar rustende
inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan is aan haar over de periode
in geding ten onrechte een toeslag verleend. Appellant heeft de toeslag
van betrokkene dan ook terecht ingetrokken op grond van artikel 11a,
eerste lid, onder a, van de TW. Van dringende redenen als bedoeld in het
tweede lid van voornoemd artikel op grond waarvan appellant bevoegd zou
zijn geheel of gedeeltelijk van de intrekking af te zien, is de Raad
niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden
voor toepassing van artikel 20, eerste lid, van de TW, zodat appellant
gehouden was tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag
over de periode van 23 juni 2001 tot en met 29 februari 2004 over te
gaan. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering
af te zien is de Raad niet gebleken.
Gezien het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om te bepalen dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de
proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, behalve voorzover daarbij is bepaald
dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te
nemen;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in
stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger
beroep tot een bedrag groot 644,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter
en M.C. Bruning en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 11 juli 2007.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) M. Gunter.
|
|