|
Uitspraak
00/2507
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 4 november 1998 heeft appellant aan gedaagde met ingang
van 6 augustus 1997, zijnde een jaar voor de datum van zijn aanvraag,
een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 31 maart 1999 heeft appellant het namens gedaagde tegen
dit besluit ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Den Haag heeft het namens gedaagde tegen
het besluit van 31 maart 1999 ingestelde beroep bij uitspraak van 16
maart 2000 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat
appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak en
gelast dat appellant aan gedaagde het door hem gestorte griffierecht
vergoedt.
Appellant is van die uitspraak op bij aanvullend beroepschrift van 28
juni 2000 aangegeven gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend, gedateerd 28
augustus 2000.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12
september 2001, waar appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk, werkzaam bij
Gak Nederland B.V., en waar gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr.
D.S.C. Hes, advocaat te Den Haag, terwijl tevens zijn verschenen, [C.],
wonende te [B.], moeder van gedaagde, en P. Teske, wonende te Leiden,
bewindvoerder van gedaagde.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft op 5 augustus 1998, bij appellant ingekomen op 6 augustus
1998, een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wajong ingediend.
Daarin heeft hij vermeld sedert 1990 arbeidsongeschikt te zijn.
De verzekeringsarts S. Ramautar-Parbhoe heeft op grond van onderzoek en
informatie van de RIAGG geoordeeld dat gedaagde sedert 1 januari 1990
volledig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd ten gevolge van een
schizoaffectieve stoornis.
Bij brief van 14 september 1998 met bijgaand vragenformulier heeft
appellant gedaagde gevraagd naar de reden waarom van hem eerst op 6
augustus 1998 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wajong werd
ontvangen. Deze brief heeft gedaagde op 15 september 1998 beantwoord. In
zijn reactie heeft gedaagde vermeld dat hij hoopte nog aan het werk te
komen, maar dat na zijn tweede psychiatrische opname was gebleken dat
hij niet tot werken in staat is.
Bij besluit van 4 november 1998 heeft appellant geweigerd aan gedaagde
met een verdergaande terugwerkende kracht dan een jaar voor de datum van
aanvraag een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen, omdat in
hetgeen gedaagde in zijn brief van 15 september 1998 heeft vermeld geen
aanleiding wordt gevonden een bijzonder geval aan te nemen als bedoeld
in artikel 29, tweede lid, van de Wajong op grond waarvan appellant de
bevoegdheid zou toekomen die uitkering met een grotere mate van
terugwerkende kracht toe te kennen.
Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 31 maart 1999 ongegrond
verklaard.
Aan het besluit van 31 maart 1999 ligt primair het standpunt ten
grondslag dat gedaagde perioden heeft gekend waarin hij zelf in staat
was om zijn belangen te behartigen en een aanvraag om
arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen. Subsidiair ligt aan dit
besluit het standpunt ten grondslag dat gedaagdes moeder, bij wie
gedaagde ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid op 1
januari 1990 inwoonde, zijn belangen behartigde, en bewust heeft
afgezien van het indienen van een aanvraag om
arbeidsongeschiktheidsuitkering, terwijl zij wel wist dat gedaagde
mogelijk voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking kwam.
De rechtbank heeft dit besluit vernietigd, omdat zij tot het oordeel is
gekomen dat appellant onvoldoende heeft onderzocht of er bijzondere
omstandigheden aanwezig waren als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van
de Wajong, zodat het besluit van 31 maart 1999 in strijd met de vereiste
zorgvuldigheid is genomen. Daartoe heeft de rechtbank allereerst
overwogen dat appellant onvoldoende heeft onderzocht of gedaagde zelf om
medische redenen in de onmogelijkheid heeft verkeerd tijdig een aanvraag
in te dienen. Voorts heeft zij overwogen dat in het algemeen niet zonder
meer kan worden aangenomen dat gedaagde, die wegens niet-lichamelijke
beperkingen arbeidsongeschikt is, een beroep op derden zal kunnen doen
voor het indienen van een aanvraag, terwijl van zijn moeder niet kon
worden verwacht dat zij tegen gedaagdes zin een
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou aanvragen.
Appellant heeft zich met de uitspraak van de rechtbank niet kunnen
verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen.
De Raad stelt vast dat partijen verdeeld worden gehouden door het
antwoord op de vraag of appellant bij het besluit van 31 maart 1999
terecht heeft geweigerd de uitkering van gedaagde met een verdergaande
terugwerkende kracht dan tot een jaar voor de datum van aanvraag toe te
kennen.
De Raad overweegt wat betreft het van toepassing zijnde recht het
volgende.
Ingevolge artikel XXIII, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met
de artikelen XXIV, eerste lid, aanhef en onder e, en XIV, tweede lid,
van de in de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen opgenomen overgangsbepalingen ten
aanzien van de Wajong, blijven - voorzover hier van belang - de
artikelen 5, 6 en 24 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) op
gedaagde van toepassing en blijft artikel 25 van de AAW niet van
toepassing.
Ingevolge artikel XXIV, vijfde lid, van de overgangsbepalingen ten
aanzien van de Wajong worden de beschikkingen genomen met toepassing van
bepalingen van de AAW aangemerkt als beschikkingen op grond van de Wajong.
Ingevolge artikel XXIV, zesde lid, van de overgangsbepalingen ten
aanzien van de Wajong wordt een betaling waarop over een periode voor de
inwerkingtreding van de Wajong op grond van de AAW recht bestond, en die
plaatsvindt op of na de inwerkingtreding van de Wajong, aangemerkt als
een betaling op grond van de Wajong.
Wat betreft het partijen verdeeld houdende punt van geschil overweegt de
Raad het volgende.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Wajong kan de uitkering niet
vroeger ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om
toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het
Lisv kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.
Van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong is onder meer sprake, indien een betrokkene ter zake van een te
late aanvraag redelijkerwijs moet worden geacht niet in verzuim te zijn.
Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de periode voor
en na de meerderjarigheid van een belanghebbende. Gedaagde is
arbeidsongeschikt geworden op 1 januari 1990, op welke datum hij
meerderjarig was. Zoals de Raad eerder in zijn uitspraak van 3 november
1993, gepubliceerd in RSV 1994/101 ten aanzien van de met de hier van
toepassing zijnde, vergelijkbare bepaling uit de AAW heeft overwogen,
betekent dit dat voor de vraag of in het onderhavige geval sprake is van
een bijzonder geval in beginsel de omstandigheden van gedaagde zelf in
aanmerking dienen te worden genomen. Dit laatste beginsel lijdt slechts
dan uitzondering, indien de belangen van gedaagde ten tijde in geding
bevoegdelijk werden behartigd door een vertegenwoordiger.
Het vorenstaande brengt met zich mee dat in de eerste plaats dient te
worden beoordeeld of gedaagde zelf redelijkerwijs moet worden geacht ter
zake van zijn te late aanvraag niet in verzuim te zijn geweest.
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat appellant onvoldoende
onderzoek heeft gedaan naar de bij die beoordeling in aanmerking te
nemen omstandigheden van appellant en dat derhalve onvoldoende gegevens
voorhanden zijn om die beoordeling te kunnen verrichten.
De Raad wijst er op dat appellant heeft volstaan met een onderzoek naar
de feitelijke situatie van gedaagde, en een medisch onderzoek met
betrekking tot de vraag of gedaagde zelf in staat was tijdig een
aanvraag om arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen achterwege
heeft gelaten. Laatstbedoeld onderzoek is naar het oordeel van de Raad
in het onderhavige geval noodzakelijk om een gefundeerd oordeel te
kunnen geven omtrent deze vraag. De Raad wijst in dit verband op hetgeen
de wetgever in de Memorie van Toelichting bij artikel 24, zevende lid,
van de AAW heeft vermeld:
"Met name ten aanzien van psychotische en schizofrene mensen kan
zich de situatie voordoen dat de betrokkene geen uitkering aanvraagt of
weigert een uitkering aan te vragen. Dit kan onder meer het gevolg zijn
van het feit dat de betrokkene zijn ziekte ontkent. Met name voor
degenen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, en dus meerderjarig
zijn, kan deze opstelling ertoe leiden dat zij niet of niet meer voor
een uitkering op grond van deze wet in aanmerking kunnen komen. Immers
deze personen hebben in eerste instantie geen wettelijk
vertegenwoordiger die de aanvraag voor hen kan doen. Het niet (willen)
aanvragen van de uitkering of voortzetting van de uitkering door de
betrokkene, is te beschouwen als het gevolg van de ziekte waaraan de
betrokkene lijdt. Het zou niet terecht zijn indien deze personen
hierdoor niet in aanmerking zouden kunnen komen voor een uitkering op
grond van deze wet."
Appellant heeft door een medisch onderzoek achterwege te laten het
vorenstaande miskend.
Appellant heeft voorts aangenomen dat gedaagdes moeder de belangen van
gedaagde ten tijde in geding bevoegdelijk behartigde. De Raad deelt dit
standpunt niet. De Raad stelt allereerst vast dat de moeder van gedaagde
ten tijde hier van belang niet de wettelijk vertegenwoordiger van
gedaagde was. Voorts is de Raad evenmin tot het oordeel kunnen komen dat
in het onderhavige geval sprake is van de situatie waarin de moeder van
gedaagde met diens kennelijke instemming de behartiging van zijn
belangen na zijn meerderjarigheid op zich heeft genomen.
Uit de gedingstukken maakt de Raad slechts op dat gedaagdes moeder hem
financieel ondersteunde, maar deze enkele omstandigheid brengt nog niet
met zich dat sprake is van bevoegdelijke belangenbehartiging als
hierboven bedoeld. Ook de omstandigheid dat gedaagdes moeder
betrokkenheid bij gedaagde betoonde door met gedaagde op de hoorzitting
te verschijnen, rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad in casu niet
de gevolgtrekking dat van een dergelijke belangenbehartiging sprake is.
De Raad is niet gebleken van andere feiten en omstandigheden die
aanleiding zouden kunnen geven voor een andersluidend oordeel
hieromtrent.
De Raad tekent hierbij aan dat gedaagde blijkens de stukken tot in 1987,
vlak voor zijn meerderjarigheid, onder toezicht was gesteld en dat een
zeer broze band tussen gedaagde en zijn moeder bestond, welke band de
moeder na gedaagdes terugkeer naar huis niet wilde beschadigen. Voorts
blijkt dat gedaagde zelf zijn ziekte niet onderkende en slechts gericht
was op het kunnen deelnemen aan het arbeidsproces. Deze omstandigheden
in onderlinge samenhang bezien steunen de Raad in zijn oordeel dat in
het onderhavige geval geen sprake is van bevoegdelijke
belangenbehartiging van gedaagde door diens moeder.
Uit al hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen volgt dat het hoger
beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij
het met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.
Het verzoek van gedaagde om appellant met toepassing van artikel 8:73
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding
van door gedaagde geleden renteschade wijst de Raad af, omdat appellant
met inachtneming van de uitspraak van de Raad nog een besluit op de
aanvraag van gedaagde dient te nemen en derhalve thans nog niet
vaststaat of gedaagde schade heeft geleden.
De Raad acht termen aanwezig appellant met toepassing van artikel 8:75
van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor beroepsmatig
verleende rechtsbijstand.
Gelet op het vorenstaande, alsmede op artikel 22, derde lid, van de
Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant een recht
van f 675,- dient te worden geheven.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een
nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in
deze uitspraak van de Raad is overwogen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,-, te voldoen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat-Van Dijk als leden, in
tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 21 november 2001.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.
|
|