|
Uitspraak
00/2066
WAJONG (Rectificatie)
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 10 maart 1998 heeft gedaagde aan appellant met ingang
van 24 april 1998 een uitkering toegekend ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
Bij besluit van 24 maart 1998 heeft gedaagde zijn besluit van 10 maart
1998 ingetrokken en de aanvraag van appellant om toekenning met ingang
van 24 april 1998 van een uitkering ingevolge de Wajong afgewezen.
Bij besluit van 25 augustus 1998 heeft gedaagde het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 24 maart 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 8 maart 2000 het beroep
tegen het besluit van 25 augustus 1998, hierna: het bestreden besluit,
ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Druten, bij
beroepschrift van 14 april 2000 van die uitspraak in hoger beroep
gekomen, waarna de gemachtigde bij schrijven gedateerd 22 september 2000
de gronden heeft aangegeven waarop het beroep rust.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is een nader stuk ingezonden
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 februari 2002, waar
voor appellant is verschenen mr. Frerix voornoemd, alsmede de
pleegouders van appellant, [pleegouder 1] en [pleegouder 2], en waar
namens gedaagde is verschenen mr. P.J. Reith, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren [in] 1980 te Curaçao, kent een vroege jeugd van
ernstige verwaarlozing en mishandeling en heeft verder het syndroom van
Ito, epilepsie en mentale regressie. In 1986 hebben de heer en mevrouw
[pleegouders] de ouderlijke macht over appellant toegewezen gekregen,
waarna het gezin in 1988, onder meer in verband met de
gezondheidstoestand van appellant, naar Nederland is gekomen. In
december 1992 is appellant teruggekeerd naar Curaçao. In juni 1994 is
hij naar Nederland teruggekomen voor controle en medisch onderzoek. Zijn
pleegouders zijn aanvankelijk in Nederland gebleven, waarna zij in juli
1994, samen met appellant, (ook) naar Curaçao zijn vertrokken. In
december 1995 is appellant samen met zijn pleegmoeder teruggekeerd naar
Nederland, waarna enkele weken later ook appellants pleegvader naar
Nederland is teruggekeerd. Sinds december 1995 verblijft appellant
permanent in Nederland.
Namens appellant is op 23 oktober 1997 per 24 april 1998 een uitkering
ingevolge de AAW aangevraagd. De verzekeringsarts M.T.C.M. van der
Wielen concludeert dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden
heeft voor het verrichten van loonvormende arbeid, waarna gedaagde bij
het in rubriek I genoemde besluit van 10 maart 1998 deze aanvraag heeft
ingewilligd. Bij het besluit van 24 maart 1998 is gedaagde op deze
beslissing teruggekomen en is de aanvraag van appellant afgewezen. In
dit besluit is overwogen dat appellant op 1 december 1995 verzekerd werd
voor de Wajong, toen hij weer in Nederland kwam wonen. Aangegeven wordt
dat gedaagde op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wajong bevoegd
is de op de datum van de aanvang van de verzekering bestaande
arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten. Van deze bevoegdheid
wordt gebruik gemaakt, nu appellant op het moment dat hij 17 jaar werd
niet tevens zes jaar onafgebroken ingezetene is geweest.
In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat hij in december 1992
Nederland tijdelijk heeft verlaten. Met goedkeuring en instemming van de
behandelend arts zou toen zijn besloten appellant naar Curaçao te
sturen. Doel was uit te proberen of een warmer klimaat, in combinatie
met een vertrouwde omgeving, appellant beter zou doen reageren op de
voorgeschreven medicatie. Het welbevinden van appellant en andere
noodzakelijke behandelingen waren reden dat appellant in 1995 weer
terugkeerde naar Nederland. Aangegeven wordt verder dat er sprake is van
bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant in aanmerking komt
voor een uitkering, ook al zou niet zijn voldaan aan de eis dat de
jonggehandicapte tussen zijn elfde en zijn zeventiende jaar in Nederland
heeft gewoond. Ten slotte wordt betoogd dat gedaagde niet zorgvuldig is
omgegaan met appellants aanvraag. Immers, bij besluit van 10 maart 1998
is die aanvraag reeds ingewilligd.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Overwogen
wordt dat appellant van december 1992 tot december 1995 in Curaçao
heeft gewoond. Bij vertrek heeft appellant zich laten uitschrijven uit
het bevolkingsregister. Er is geen sprake geweest van tijdelijk
verblijf. Geconcludeerd wordt dat appellant geen zes jaar onmiddellijk
voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ingezetene is
geweest. De wet biedt de ruimte in die omstandigheden geen uitkering toe
te kennen.
Met betrekking tot de grief dat de besluitvorming onzorgvuldig is
geweest wordt opgemerkt dat deze grief wordt gelezen als een beroep op
het vertrouwensbeginsel. Aangegeven wordt dat het beroep op dit beginsel
niet wordt gehonoreerd, nu appellant niet heeft aangegeven dat hij, op
basis van het gewekte vertrouwen, handelingen heeft verricht die niet
meer ongedaan kunnen worden gemaakt.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe
overwogen dat zij, gelet op alle feiten en omstandigheden en de duur van
het verblijf op Curaçao, van oordeel is dat appellant niet als
ingezetene in de zin van de Wajong kan worden beschouwd. Voor wat
betreft de zorgvuldigheid waarmee het besluit van 24 maart 1998 is
totstandgekomen, onderschrijft de rechtbank hetgeen door gedaagde is
aangevoerd.
In beroep is namens appellant onder meer aangevoerd dat gedaagde in het
onderhavige geval van zijn bevoegdheid om de uit de Wajong
voortvloeiende aanspraken geheel of gedeeltelijk buiten aanmerking te
laten geen gebruik had mogen maken. Betoogd wordt dat appellant
gedurende het verblijf in Curaçao de band met Nederland heeft behouden.
Het gaat in dit geding om de vraag of het bestreden besluit in rechte
stand kan houden.
De Raad zal eerst ingaan op de vraag of gedaagde, na de toekenning van
de uitkering bij besluit van 10 maart 1998, tot de in geding zijnde
afwijzing van de aanvraag heeft kunnen komen zonder in strijd te
handelen met het vertrouwens- en/of rechtszekerheidsbeginsel. In dat
verband stelt de Raad voorop dat een bestuursorgaan in beginsel bevoegd
moet worden geacht om terug te komen op een besluit dat rechtens onjuist
moet worden geacht. Naar het oordeel van de Raad is de uitoefening van
die bevoegdheid in het onderhavige geval niet in strijd te achten met
het vertrouwens- en/of het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad acht in dat
verband relevant dat het gaat om een besluit dat door gedaagde binnen
een betrekkelijk korte termijn (veertien dagen) is gecorrigeerd, terwijl
de aanspraken waarop het besluit betrekking had op het moment van de
intrekking van dat besluit nog in de toekomst lagen. De Raad acht verder
van belang dat niet is gebleken dat appellant door de intrekking van het
toekenningsbesluit schade van enige omvang heeft geleden (bijvoorbeeld
doordat hij handelingen heeft verricht die niet meer ongedaan zijn te
maken), of dat appellant door de gang van zaken bij de afwijzing van
zijn verzoek om toekenning van een Wajong-uitkering anderszins
onevenredig in zijn belangen is geschaad.
De Raad staat vervolgens voor de vraag of gedaagde zich bij het
bestreden besluit terecht bevoegd heeft geacht met toepassing van
artikel 10, eerste lid, onder a, en het derde lid, van de Wajong
appellants arbeidsongeschiktheid geheel buiten aanmerking te laten op de
grond dat appellants verzekering eerst op 1 december 1995 is
aangevangen, terwijl appellant op dat moment reeds geheel
arbeidsongeschikt was.
Dit stelt de vraag aan de orde of appellant, met zijn vertrek uit
Nederland naar Curaçao in 1992 en het daaropvolgende verblijf aldaar,
zijn woonplaats naar Curaçao heeft verplaatst. Zou dat niet het geval
zijn, dan zou appellant doorlopend verzekerd zijn geweest vanaf zijn
komst in 1988 naar Nederland.
De Raad stelt voorop dat uit de gedingstukken die betrekking hebben op
de periode rondom appellants vertrek, medio tot einde 1992, niet met
zekerheid kan worden vastgesteld wat de gronden voor het vertrek van
appellant naar Curaçao zijn geweest. Uit een brief van de behandelend
specialist W.O. Renier gedateerd 3 juni 1992 blijkt dat appellant
behoefte had aan 'basic trust', maar niet blijkt van een noodzaak om
daarvoor (tijdelijk) naar Curaçao te vertrekken. Ter zitting is
gebleken dat een brief van dezelfde specialist uit december 1992 in dit
opzicht ook geen opheldering biedt. Onbestreden is dat appellant bij
zijn vertrek is uitgeschreven uit het bevolkingsregister in Nederland en
dat hij in Curaçao is opgevangen door familie van zijn pleegmoeder.
Appellant heeft bijna drie jaar in Curaçao gewoond, waarbij moet worden
opgemerkt dat hij medio 1994 ongeveer twee maanden in Nederland heeft
verbleven voor medische controle, waarna hij weer naar Curaçao is
teruggekeerd. Uit een verslag van een psychologisch onderzoek, gedateerd
4 juni 1996, lijkt te kunnen worden afgeleid dat de terugkeer van
appellant in 1995 zijn grond vond in ernstige gedragsproblemen op
school. Hierop sluit aan een brief van de maatschappelijk werker W.
Kroneman, gedateerd 26 juli 1999. Uit deze brief lijkt te volgen dat het
vertrek van appellant in 1992 is ingegeven door de hoop dat zijn sociaal
en medisch functioneren op verschillende leefgebieden beter reguleerbaar
en hanteerbaar zou zijn binnen de oorspronkelijke leefsituatie.
Aanvankelijk leek dit goed te gaan, maar toen de problemen weer
terugkeerden is besloten appellant te laten terugkeren naar Nederland.
Voor de beantwoording van de hier aan de orde zijnde rechtsvraag neemt
de Raad verder in ogenschouw de positie van de pleegouders van
appellant. Zij immers hadden het ouderlijk gezag over de destijds
minderjarige appellant. De pleegouders van appellant zijn aanvankelijk
in Nederland zijn gebleven. De gezinsband bleef, niettegenstaande het
verblijf van appellant in Curaçao, intact. Een en ander wijst er
volgens de Raad op, mede gezien de medische situatie van appellant en de
controle daarop vanuit Nederland, dat appellant aanvankelijk een sterke
band met Nederland heeft behouden, zo al niet gesproken zou moeten
worden van het behoud van de woonplaats alhier.
In juli 1994 hebben appellants pleegouders appellant vergezeld naar Curaçao.
Uit de omstandigheden waaronder dit is gebeurd, ter zitting is onder
meer gebleken dat de huur van het woonhuis in Nederland is opgezegd en
dat de huisraad is verkocht, leidt de Raad af dat bij de pleegouders op
dat moment de wil gericht was op de verplaatsing van hun woonplaats naar
Curaçao. De Raad leidt hieruit af dat in elk geval op dat moment ook
appellants woonplaats is verplaatst. De verklaringen achteraf van de
behandelend specialist Renier gedateerd 30 december 1999 en de
maatschappelijk werker Kroneman van 15 januari 2002 maken dit niet
anders.
De Raad concludeert dat gedaagde bevoegd was, op grond van artikel 10,
eerste lid, van de Wajong, tot het geheel en blijvend buiten aanmerking
laten van gedaagdes arbeidsongeschiktheid, zoals die bestond op 1
december 1995, nu niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 10, derde
lid, van de Wajong, dat appellant gedurende de zes jaren onmiddellijk
voorafgaande aan de dag waarop hij 17 jaar werd ingezetene is geweest.
Namens appellant is aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn die
meebrengen dat gedaagde in het onderhavige geval van die bevoegdheid
geen gebruik had mogen maken. De Raad leest hierin dat appellant een
beroep doet op de door gedaagde, in het kader van de hier aan de orde
zijnde bevoegdheid, vastgestelde beleidsregels, en de verplichting voor
gedaagde te handelen overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor
belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden
onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen
doelen.
De Raad is niet gebleken dat gedaagde heeft getoetst of op grond van het
gevoerde beleid er in het onderhavige geval reden bestond om van de in
artikel 10, eerste lid, van de Wajong toegekende bevoegdheid geen
gebruik te maken. Daarenboven is de Raad niet gebleken dat gedaagde
heeft onderzocht of, indien appellant naar zijn oordeel aan het beleid
geen aanspraken zou kunnen ontlenen, er bijzondere omstandigheden zijn
welke aanleiding zouden kunnen geven in dit geval van deze beleidsregels
af te wijken.
De Raad concludeert dat het onderhavige besluit niet zorgvuldig is
voorbereid en op die grond voor vernietiging in aanmerking komt, welk
lot ook de aangevallen uitspraak treft.
Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. In dit verband
overweegt de Raad overigens nog dat op grond van hetgeen tot nu toe van
de zijde van appellant omtrent de specifieke aspecten van het geval van
appellant is aangevoerd niet op voorhand reeds de conclusie is gewettigd
dat gedaagde daarin aanleiding zou dienen te zien om van de in artikel
10, eerste lid, van de Wajong toegekende bevoegdheid geen gebruik te
maken.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand.
Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd
en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en
vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar zal nemen met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van € 102,12- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. H.J. Simon
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van L. Savas als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2002.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) L. Savas.
|
|