|
Uitspraak
00/2750
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 24 april 1998 heeft gedaagde de bij aanvang van de
verzekering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) op 17
juli 1992 reeds bestaande volledige arbeidsongeschiktheid van appellant
geheel en blijvend buiten aanmerking gelaten en om die reden de namens
appellant gevraagde AAW-uitkering geweigerd.
Bij brief van 28 mei 1998 is namens appellant tegen dit besluit bezwaar
gemaakt.
Bij besluit van 10 september 1998 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft het namens appellant bij beroepschrift van
25 september 1998 ingestelde beroep tegen het besluit van 10 september
1998 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 10 april 2000
ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 16 mei 2000 heeft mr. L. Deiman, werkzaam bij het
Buro voor Rechtshulp te Rotterdam, namens appellant tegen deze uitspraak
hoger beroep ingesteld. Deze gemachtigde heeft bij brief van 18 augustus
2000 de gronden van het hoger beroep ingediend.
Gedaagde heeft bij brief van 9 november 2000 van verweer gediend.
De gemachtigde van appellant heeft bij brief 27 juni 2002 nadere stukken
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 juli 2002, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en
zijn moeder, en waar namens gedaagde is verschenen mr. W.M.J. Evers,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de
Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant is [in] 1979 geboren in Brazilië, heeft de Nederlandse
nationaliteit en is vanaf zijn geboorte autistisch. Zijn ouders hebben
van 1969 tot 1973 in Nederland gewoond en aldaar is in 1972 de oudste
zoon geboren. Vanaf 1973 woonde het gezin in Brazilië. De vader van
appellant is overleden voor de geboorte van appellant en nadat de oudste
zoon in 1991 vanwege studie naar Nederland is verhuisd, hebben ook
appellant, zijn moeder, die destijds door haar huwelijk ook de
Nederlandse nationaliteit had verkregen, en zijn andere broer zich op 17
juli 1992 in Nederland gevestigd. Namens appellant heeft zijn moeder bij
gedaagde een op 28 januari 1998 gedateerd formulier met het opschrift
"AANVRAAG AAW" ingediend vanwege de autistische aandoening van
appellant. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 24 maart 1998
vastgesteld dat als eerste arbeidsongeschiktheidsdatum de geboortedatum
van appellant kan worden beschouwd en heeft geconcludeerd dat appellant
vanwege sedert zijn geboorte bestaand langdurig onvermogen tot
persoonlijk en sociaal functioneren geen duurzaam benutbare
mogelijkheden heeft ten aanzien van het verrichten van loonvormende
arbeid. Vervolgens heeft gedaagde bij het besluit van 24 april 1998 de
bij de aanvang van de verzekering ingevolge de AAW op 17 juli 1992, toen
appellant zich in Nederland vestigde, reeds bestaande volledige
arbeidsongeschiktheid met toepassing van artikel 21, eerste lid, onder
a, van de AAW geheel en blijvend buiten aanmerking gelaten en om die
reden de gevraagde AAW-uitkering geweigerd.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het besluit van 24 april 1998
gehandhaafd. Gedaagde heeft daarbij vastgesteld dat appellant op zijn
17e verjaardag weliswaar in Nederland woonde, maar dat hij voorafgaande
aan die verjaardag niet gedurende 6 jaar onafgebroken in Nederland
woonde, zodat artikel 21, eerste lid, onder a, van de AAW niet op grond
van het vierde lid van dat artikel ten aanzien van appellant buiten
toepassing blijft. Voorts heeft gedaagde in het bestreden besluit een
uitvoerige uiteenzetting gegeven van het ter zake van de toepassing van
artikel 21, eerste lid, onder a, door gedaagdes rechtsvoorganger, de
Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, in december 1991 vastgestelde en
door gedaagde voortgezette beleid. Wat betreft de door gedaagde van
belang geachte derde categorie, te weten de vroeggehandicapte die in
verband met gezinshereniging naar Nederland is gekomen, heeft gedaagde
in het bestreden besluit overwogen dat niet wordt voldaan aan het
criterium dat de kostwinner, in dit geval de moeder van appellant,
minstens drie jaar aaneengesloten in Nederland heeft gewerkt.
In beroep is namens appellant gewezen op de band die steeds met
Nederland behouden is gebleven, ook al woonde het gezin van appellant in
Brazilië. In dit verband heeft de gemachtigde van appellant onder
andere aangevoerd dat zijn moeder in Brazilië in de jaren 1990 en 1992
voor het consulaat van Nederland werkzaamheden heeft verricht in het
kader van de ontvangst van officiële delegaties uit Nederland. Voorts
heeft zij gesteld dat het beleid van gedaagde geen betaald werk vereist
en dat de moeder van appellant in Nederland vrijwilligerswerk heeft
verricht voor verschillende organisaties in Rotterdam. Tenslotte acht de
gemachtigde de situatie van appellant vergelijkbaar met de tweede
categorie uit het beleid van gedaagde, welke onder andere ziet op de
vroeggehandicapte, die Nederland heeft verlaten vanwege
gezondheidsredenen of om redenen van inkomensverwerving in het
buitenland door de ouders/verzorgers en die tijdens het verblijf in het
buitenland een band met Nederland heeft behouden. Voor deze categorie
geldt de eis van het drie jaar aaneengesloten hebben gewerkt in
Nederland door de kostwinner niet, aldus de gemachtigde.
In reactie hierop heeft gedaagde bij brief van 27 januari 2000 gesteld
dat appellant niet voldoet aan de tweede categorie omdat hij Nederland
nooit heeft verlaten en dat appellant bij nadere beschouwing ook niet
onder de derde categorie is te scharen omdat hij niet in verband met
gezinshereniging naar Nederland is gekomen. Appellant kwam immers
tegelijk met zijn moeder naar Nederland en van een onderbreking van het
samenwonen in gezinsverband was derhalve geen sprake. Gedaagde heeft ten
slotte gewezen op de uitspraak van de Raad van 8 mei 1998 (RSV
1998,215), welke er, voor zover hier van belang, op neerkomt dat, indien
de feitelijke situatie niet valt onder één van de beleidscategorieën,
niet kan worden volstaan met een verwijzing naar het beleid, maar op
grond van een zorgvuldige belangenafweging beslist moet worden omtrent
het gebruik van de in geding zijnde weigeringsbevoegdheid en dat onder
bepaalde omstandigheden in verband met doel en strekking van het beleid
een aanspraak op uitkering in redelijkheid niet geweigerd kan worden.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de (nadere) visie van
gedaagde omtrent het niet voldoen van appellant aan één der
beleidscategorieën onderschreven en voorts de belangenafweging van
gedaagde niet onredelijk geacht.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat bij de
hier aan de orde zijnde beleidscategorieën met name het behoud van de
band met Nederland van belang is en dat in een geval als het
onderhavige, waarin het beleid niet voorziet, nu hereniging van
appellant en zijn moeder met de andere kinderen uit het gezin en met
grootvader niet gezinshereniging is in de door gedaagde bedoelde zin,
het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen omdat geen
belangenafweging heeft plaatsgehad.
Gedaagde heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep erkend dat bij de
hier aan de orde zijnde beleidscategorieën met name het (voort)bestaan
van de band met Nederland van belang is. Met betrekking tot de
belangenafweging heeft gedaagde gesteld dat zijn belang, te weten het
voorkomen van oneigenlijk gebruik van de AAW en het inhoud geven aan het
verzekeringsbeginsel door middel van risicoselectie, verbonden is met
het voorkomen van uitbreiding van categorieën of situaties waarin bij
wijze van uitzondering niet van de in geding zijnde
weigeringsbevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Dit belang dient, aldus
gedaagde, zwaarder te wegen dan het belang van appellant bij een in
beginsel langdurige uitkering.
De Raad stelt voorop dat, zoals hij eerder heeft overwogen, het door
gedaagde in het kader van de toepassing van de in geding zijnde
bevoegdheid gevoerde beleid zich beweegt binnen de grenzen van een
redelijke beleidsbepaling. Die bevoegdheid overigens bleef voor dit
geval - anders dan de rechtbank van oordeel is - in verband met artikel
XXIV, eerste lid, onder e, in samenhang met het tweede en vierde lid,
van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen haar grondslag vinden in artikel 21,
eerste lid, onder a, van de per 1 januari 1998 ingetrokken AAW. De Raad
is voorts van oordeel dat appellant, hetgeen door zijn gemachtigde ter
zitting van de Raad op zich ook lijkt te zijn onderkend, niet voldoet
aan de hiervoor omschreven tweede en derde categorie van het beleid. Wat
betreft de beleidscategorie gezinshereniging is de Raad weliswaar
gebleken dat de moeder van appellant in februari 1992 ook al naar
Nederland kwam om, zoals de gemachtigde van appellant in de brief van 18
augustus 2000 aangaf, voorbereidingen te treffen voor de vestiging in
Nederland. Van een tijdelijke verbreking van het gezinsverband kan naar
het oordeel van de Raad om die reden echter niet worden gesproken.
Voorts is de Raad niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden,
welke gedaagde, mede in aanmerking genomen doel en strekking van zijn
beleid, hadden dienen te nopen in dit geval van zijn
weigeringsbevoegdheid geen gebruik te maken. Weliswaar acht de Raad het
niet onaannemelijk dat het gezin, waartoe appellant behoort en waarvan
alle leden de Nederlandse nationaliteit hebben, tijdens het verblijf in
Brazilië enige band met Nederland heeft behouden, maar de Raad acht de
van de zijde van appellant aangedragen feiten en omstandigheden,
waaronder de werkzaamheden van appellants moeder voor het Nederlandse
consulaat, mede gelet op het langdurig verblijf van het gezin in Brazilië,
niet van dien aard dat moet worden geconcludeerd tot het behoud van een
zodanige hechte band met Nederland dat in verband daarmee het aannemen
van een uitzondering op het beleid ten gunste van appellant aangewezen
zou moeten worden geacht.
Op grond van al het vorenoverwogene komt de Raad tot de slotsom dat het
bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat de aangevallen
uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een ander
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. H. Bolt en
mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
|
|