|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/6102 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft J.A.J. Vervest op bij het beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
's-Hertogenbosch onder dagtekening 20 november 2000 tussen partijen
gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 27 maart 2001 (met bijlage) van verweer
gediend.
Appellant heeft hierop bij brief van 28 april 2001 (met bijlage)
gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17
september 2002, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde
Vervest, voornoemd, en waar gedaagde, met kennisgeving, zich niet heeft
doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Op 7 juli 1997 is namens appellant een uitkering aangevraagd op grond
van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De verzekeringsarts is
bij onderzoek op 2 april 1998 tot de conclusie gekomen dat appellant op
17-jarige leeftijd reeds arbeidsongeschikt was en sindsdien is gebleven.
Gelet op zijn medische toestand is volgens de verzekeringsarts appellant
niet in staat geweest zelf tijdig een aanvraag in te dienen, maar zijn
ouders hadden dat voor hem kunnen doen. Om die reden heeft gedaagde bij
het op bezwaar genomen bestreden besluit van 28 december 1999 geen
bijzonder geval aanwezig geacht als bedoeld in artikel 25, tweede lid,
tweede volzin, van de AAW op grond waarvan gedaagde bevoegd is met
terugwerkende kracht van meer dan een jaar, te rekenen vanaf de datum
van aanvraag, uitkering toe te kennen.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten, van oordeel
zijnde dat geen sprake is van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de ouders van appellant degenen
waren die destijds geacht werden zijn belangen te behartigen en dat
onvoldoende is gebleken dat zij daartoe - en dus ook tot het indienen
van een AAW-aanvraag - buiten staat waren.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat zijn ouders geen
wetenschap of kennis hadden van zijn aan drugs- en gokverslaving
gerelateerde problemen, omdat hij deze voor hen verborgen hield en dat
zijn ouders daarom niet namens hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering
hebben kunnen aanvragen.
Gedaagde heeft bij verweerschrift zich op het standpunt gesteld dat de
ouders van appellant al vanaf zijn jeugd hebben geweten dat er iets aan
de hand was met appellant. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat de
gemachtigde van appellant door zijn jarenlange betrokkenheid met het
gezin tot de directe omgeving van appellant is te rekenen. Juist waar
een jonggehandicapte - zoals in casu appellant - zelf niet in staat is
zijn belangen te behartigen, aldus gedaagde, had dat van de directe
omgeving wel verwacht kunnen en mogen worden.
De Raad overweegt als volgt.
Van een bijzonder geval in de zin van artikel 25, tweede lid, van de AAW
moet met name gesproken worden indien een verzekerde ter zake van een
verlate aanvraag redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te
zijn geweest. In zijn jurisprudentie met betrekking tot deze bepaling
heeft de Raad voorts aangegeven dat bij de beoordeling of sprake is van
een bijzonder geval in de zin van die bepaling, in situaties waarin de
belangen van een - meerderjarige - belanghebbende bevoegdelijk door een
derde worden behartigd, de omstandigheden van die derde in ogenschouw
dienen te worden genomen.
De Raad overweegt dat de verzekeringsarts A.J. Kruiswijk op grond van
een ernstig te nemen psychiatrische problematiek en drugsverslaving
appellant vanaf zijn 17e verjaardag volledig arbeidsongeschikt heeft
geacht en op grond hiervan heeft geconcludeerd dat appellant er ook geen
verwijt van kan worden gemaakt dat hij niet tijdig een AAW-uitkering
heeft aangevraagd.
Met betrekking tot de vraag of in dit geval sprake is van een situatie
waarin de belangen van appellant bevoegdelijk door een derde worden
behartigd, overweegt de Raad dat tijdens de minderjarigheid van
appellant zijn ouders in hun hoedanigheid van wettelijk
vertegenwoordigers zijn belangen behartigen.
In de gedingstukken ziet de Raad evenwel onvoldoende aanknopingspunten
voor de veronderstelling dat in de periode na het bereiken van de
meerderjarigheid door appellant en tot de datum van aanvraag van de
AAW-uitkering, de ouders van appellant en/of zijn huidige gemachtigde
tot zijn directe omgeving zijn te rekenen in die zin dat zij geacht
moeten worden zijn belangen bevoegdelijk te hebben kunnen behartigen. De
Raad wijst erop dat van de zijde van appellant onweersproken is gesteld
dat hij al tijdens zijn minderjarigheid, maar ook daarna, niet in het
ouderlijk huis verbleef, zijn problemen voor zijn ouders verborgen heeft
gehouden en dat zijn gemachtigde wel bemoeienis had met de (financi๋le)
problemen van zijn ouders, maar niet met die van hem.
De Raad is voorts van oordeel dat op basis van de thans voorhanden
zijnde gegevens niet aannemelijk is dat de ouders van appellant tijdens
de minderjarigheid van hun zoon inzicht in de ernst van zijn
psychiatrische aandoening hebben gehad en de consequenties daarvan voor
zijn vermogen om met arbeid inkomen te verdienen. Hetgeen omtrent het
gedrag van appellant in zijn jeugd is vermeld in het van de hand van
appellants gemachtigde afkomstige verslag van 11 juli 1997 vormt
daarvoor een onvoldoende basis.
Aldus komt de Raad tot het oordeel dat gedaagde op ondeugdelijke gronden
het bestaan van een bijzonder geval niet heeft aanvaard.
Het bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak waarbij dit in
stand is gelaten, komt deswege voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 644,-
voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voor afzonderlijke
vergoeding van reiskosten van appellants professioneel gemachtigde is
daarnaast geen plaats, nu vergoeding daarvan in de vergoeding van kosten
voor rechtsbijstand begrepen is.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar van appellant
nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot
644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van J.
Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2002.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J. Verrips.
|
|