|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/2820 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 14 oktober 1999 heeft gedaagde appellantes aanvraag om
toekenning van een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen,
aangezien zij - uitgaande van 1 januari 1996 als eerste
arbeidsongeschiktheidsdag - niet aan de destijds in het kader van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) geldende inkomenseis voldoet.
Bij besluit van 30 maart 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde appellantes bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 1999 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 april 2001 heeft de rechtbank Maastricht het beroep
van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op door haar
gemachtigde mr. F.E.H.M. Aken, advocaat te Geleen, bij inleidend
beroepschrift d.d. 18 mei 2001 hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft op 24 oktober 2001 een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van appellante heeft de beroepsgronden aangevuld bij
schrijven van 5 april 2002. Bij schrijven van 2 september 2002 heeft zij voorts twee verklaringen van ex-collega's van
appellante ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20
september 2002. Appelante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. R.C. Breuls, advocaat te Geleen, als haar raadsman. Gedaagde heeft
zich doen vertegenwoordigen door P. Huiskamp, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren op 4 april 1954, heeft van 1970 tot 1988 gewerkt bij
de Nederlandse Philips Bedrijven te Heerlen. In 1977 onderging zij een
longoperatie. In 1999 heeft zij een arbeidsongeschiktheidsuitkering
aangevraagd, waarbij zij als eerste arbeidsongeschiktheidsdag opgaf 13
januari 1996, zijnde de dag waarop zij voor een tweede longoperatie in
het ziekenhuis is opgenomen. De verzekeringsarts heeft op basis van door
hem verricht onderzoek de eerste arbeidsongeschiktheidsdag - nagenoeg
conform appellantes aanvraag - vastgesteld op 1 januari 1996. De
bezwaarverzekeringsarts heeft nog inlichtingen ingewonnen bij de
behandelend longarts van appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft
zich gesteld achter de door de verzekeringsarts gekozen eerste
arbeidsongeschiktheidsdag.
De rechtbank heeft geen grond gevonden om de door gedaagde aangehouden
eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor onjuist te houden. Zij heeft geen
aanleiding gezien voor nader medisch onderzoek.
Appellante heeft in hoger beroep benadrukt dat zij sinds haar 17e
levensjaar een longziekte heeft en dat zij er alles aan gedaan heeft om
- zij het met veelvuldig ziekteverzuim - aan het werk te blijven, wat
alleen gelukt is omdat zij in staat werd gesteld aangepast werk te
verrichten. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij twee
verklaringen van oud-collega's overgelegd, die bevestigen dat zij
aangepast werk deed.
De Raad overweegt het volgende.
Op grond van de gedingstukken staat genoegzaam vast dat appellante als
gevolg van haar longklachten veelvuldig en soms langdurig heeft
verzuimd, maar dat zij telkens het werk heeft hervat voordat de
AAW-wachttijd van 52 weken was voltooid. De omstandigheid dat zij door
haar werkgever in staat werd gesteld om bij haar lichamelijke
beperkingen passende, fysiek lichte werkzaamheden te verrichten,
betekent op zichzelf niet dat zij arbeidsongeschikt in de zin van de AAW
was. Het betrof normaal in de onderneming voorkomend werk, waarmee
appellante haar normale loon verdiende. Ondanks haar gezondheidsklachten
heeft appellante zich in de zeventiger en tachtiger jaren niet
geconfronteerd gezien met een of meer periodes van verlies aan
verdiencapaciteit, die langer dan 52 weken onafgebroken hebben geduurd.
Er is in die jaren derhalve geen arbeidsongeschiktheid ingetreden die
recht op uitkering geeft.
Het hoger beroep treft bijgevolg geen doel. De aangevallen uitspraak
komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter in tegenwoordigheid van
mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1
november 2002.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.
|
|