|
Uitspraak
00/5579
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt (de Raad van
bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in
de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen. In deze
uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger
beroep gekomen van een door de rechtbank Almelo onder dagtekening 3
oktober 2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 augustus 2002.
Voor appellant is daar verschenen H. Willekes, werkzaam in dienst van
appellant. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr.
Voets, voornoemd, [moeder], zijn moeder, [broer], zijn broer, en
[medewerker], casemanager bij Mediant.
II. MOTIVERING
Bij gedaagde, geboren op 13 april 1975, is sprake van een ernstig
psychiatrisch ziektebeeld. Hem is bij besluit van 11 juni 1999 met
ingang van 30 november 1995 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De
daarbij behorende uitkering bedraagt 70 procent van de grondslag.
Bij brief van 24 juni 1999 is namens gedaagde verhoging van de uitkering
wegens hulpbehoevendheid aangevraagd.
Appellant heeft bij brief van 7 september 1999 kennis gegeven van zijn
besluit om de aanvraag af te wijzen. Daaraan ligt het standpunt ten
grondslag dat gedaagde niet in een, althans voorlopig blijvende,
toestand van hulpbehoevendheid verkeert, welke geregelde oppassing en
verzorging nodig maakt.
Bij het bestreden besluit van 9 maart 2000 is het bezwaar van gedaagde
tegen dat besluit ongegrond verklaard. Overwogen is dat niet is gebleken
van de noodzaak van geregelde oppassing en verzorging aangezien gedaagde
voor zijn verzorging niet is aangewezen op de hulp van anderen. Als het
gaat om oppassing is er naar het oordeel van de verzekeringsarts wel
sprake van enige zorg, maar verder dan de zogeheten ruime uitleg van het
begrip geregelde oppassing gaat die niet.
Gedaagde heeft dat oordeel bestreden. Aangevoerd is dat voor gedaagde 24
uur per dag zorg nodig is, aangezien hij beslist niet alleen kan zijn.
Daarbij gaat het niet zozeer om de dagelijkse verzorging, zoals het aan-
en uitkleden, wassen, eten, toiletbezoek en dergelijke, doch veeleer om
de controle en aansporing die gedaagde behoeft opdat hij zijn medicijnen
inneemt en de maaltijden gebruikt. Het aspect verzorging lost zich in
zijn geval op in het voortdurend letten op gedaagde. Daardoor is sprake
van een voortdurende noodzaak van verzorging.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en appellant veroordeeld tot
vergoeding van proceskosten en griffierecht. Zij heeft daartoe overwogen
dat het beleid van appellant ter zake van de uitleg van de begrippen
geregelde oppassing en verzorging met name betrekking heeft op personen
die door hun handicap lichamelijk niet meer in staat zijn de steeds
terugkerende dagelijkse activiteiten, zoals aan- en uitkleden,
dagelijkse verzorging, koken en eten, te verrichten. Dit beleid gaat
naar het oordeel van de rechtbank evenwel voorbij aan een geval als het
onderhavige waarin de belanghebbende in staat is om zich dagelijks te
verzorgen, maar dat alleen kan als hem daarbij de nodige structuur in de
zin van psychische verzorging wordt geboden. De rechtbank leidde uit de
stukken en het verhandelde ter zitting af dat gedaagde niet in staat is
de algemene dagelijkse levensfuncties te verrichten zonder dat daarbij
door anderen structuur wordt geboden. Zij verbond daaraan de conclusie
dat appellant het beleid niet zonder meer had mogen toepassen. Niet viel
in te zien waarom degenen die somatische verzorging voor het verrichten
van dagelijkse levensfuncties nodig hebben wel in aanmerking komen voor
een verhoging van hun uitkering en zij die in psychische zin de nodige
hulp behoeven niet.
Appellant stelt in hoger beroep dat de rechtbank een onjuiste uitleg van
de begrippen geregelde oppassing en verzorging voor ogen heeft gestaan.
Daartoe is er op gewezen dat de Raad het ter zake van deze begrippen
vastgestelde en uitgevoerde beleid meer dan eens heeft onderschreven.
Volgens dit beleid is van verzorging sprake wanneer de betrokkene hulp
nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks
terugkerende levensverrichtingen, dan wel bij slechts een aantal
daarvan. Van geregelde oppassing is volgens het beleid sprake indien de
noodzaak bestaat van min of meer doorlopend toezicht ter voorkoming dat
de betrokkene zichzelf of anderen schade aandoet, dan wel indien
volstaan kan worden met geregelde handreikingen van derden. Daarbij
wordt verzorging uitgelegd als fysieke hulp bij algemene dagelijkse
levensverrichtingen en worden aanwijzingen en aansporingen zonder
fysieke assistentie aangemerkt als vormen van oppassing. Appellant leidt
uit de verzekeringsgeneeskundige gegevens af dat gedaagde geen fysieke
hulp nodig heeft bij het verrichten van de essentiële, dagelijks
terugkerende levensverrichtingen en dat oppassing nodig is in de zin van
handreikingen van derden in verband met de psychische toestand van
gedaagde.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat het begrip geregelde verzorging
te eng is opgevat aangezien eraan voorbij wordt gegaan dat zijn
zelfverzorging volledig afhankelijk is van de voorbereidingen en
inspanningen van zijn moeder. Deze wekt hem en zegt hem dat hij op moet
staan en zich moet gaan wassen. Zij zorgt ervoor dat het eten klaar
staat en ziet erop toe dat hij daadwerkelijk eet en zijn medicatie
inneemt. Het bieden en instandhouden van deze structuur is noodzakelijk
voor het fysieke en psychische functioneren van gedaagde. De daarmee
gemoeide tijd en energie is vergelijkbaar met de verzorging van een
lichamelijk gehandicapte. Wanneer de geboden structuur wegvalt moet
gedaagde worden opgenomen in een AWBZ-instelling. Met betrekking tot de
noodzaak van geregelde oppassing heeft gedaagde doen aanvoeren dat hij
in het gesprek met de verzekeringsarts Zadelhoff heeft aangegeven dat er
min of meer continu iemand bij hem aanwezig moet zijn ter voorkoming van
ernstige decompensatie. Wanneer het slecht gaat kan gedaagde in geval
van nood hooguit enkele minuten alleen zijn en wanneer het goed gaat kan
hij maximaal een half uur alleen zijn. Aangezien de toestand van
gedaagde zeer plotseling kan veranderen en niet voorspelbaar is hoe lang
een goede periode zal duren, is het niet goed mogelijk om gedaagde
alleen te laten. Daarom wordt gedaagde door zijn vader, moeder en broer
24 uur per dag opvang geboden. Het standpunt van appellant dat gedaagde
met betrekking tot zijn oppassing slechts aangewezen is op enige zorg in
de vorm van geregelde handreikingen van derden wordt dan ook bestreden.
In geding is de vraag of het door de rechtbank vernietigde bestreden
besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank, bevestigend.
Artikel 9 van de Wajong, voor zover hier van belang, bepaalt dat een
uitkering ingevolge deze wet die berekend wordt naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, verhoogd wordt tot ten hoogste de
grondslag van die uitkering, indien de betrokkene in een althans
voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeert, die
geregelde oppassing en verzorging nodig maakt.
Ter zake van de uitleg van de in deze bepaling voorkomende begrippen
geregelde verzorging en oppassing en de daaraan gekoppelde mate van
verhoging van de uitkering tot 85 respectievelijk 100% van de grondslag
is door het uitvoeringorgaan beleid vastgesteld waarvan de Raad meer dan
eens heeft geoordeeld dat het de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De
Raad voegt hier aan toe dat hij niet inziet dat dit beleid als zodanig
geen, dan wel onvoldoende ruimte zou bieden voor personen die
hulpbehoevendheid zijn wegens een ziekte of gebrek van psychiatrische
aard.
Daarvan uitgaande is de Raad op grond van de gedingstukken, in het
bijzonder de verzekeringsgeneeskundige verslaglegging, de verklaringen
van casemanager [medewerker], de overige gedingstukken en het verhandelde ter zitting
van de Raad, tot de conclusie gekomen dat de begeleiding, in de vorm van
controle en het bieden van structuur, waarop gedaagde is aangewezen,
primair moet worden aangemerkt als een vorm van geregelde oppassing in
de zin van artikel 9 van de Wajong en de bij de uitvoering van dat
begrip gevolgde vaste gedragslijn van appellant. De omstandigheid dat
deze vorm van oppassing wegens de psychische toestand van gedaagde mede
betrekking heeft op toezicht en aansporingen in verband met de
zelfverzorging van gedaagde maakt dat op zichzelf genomen niet anders.
Van de noodzaak van een daarboven uitgaande vorm van hulp van gedaagde
bij de essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen in de zin
van dat artikel is de Raad niet gebleken.
Het vorenstaande betekent dat gedaagde ten tijde van belang niet in een
situatie verkeerde die recht geeft op verhoging van de uitkering naar
100 of 85% van de grondslag.
De Raad is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die appellant
aanleiding zouden moeten geven om ten gunste van gedaagde af te wijken
van het beleid.
Hieruit vloeit voort dat appellant bij het bestreden besluit terecht
heeft geweigerd gedaagdes uitkering ingevolge de Wajong te verhogen. Ten
onrechte is dat besluit door de rechtbank vernietigd, zodat de
aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad geen termen
aanwezig te achten om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1
oktober 2002.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|