|
Uitspraak
00/3335
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 15 januari 1999 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld
dat zijn uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
per 1 januari 1998 terecht is omgezet in een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en dat het
niet mogelijk is om met behoud van deze uitkering te emigreren naar
Australië.
Bij besluit van 15 april 1999 heeft gedaagde, beslissende op het door
appellant ingediende bezwaarschrift, besloten "de beslissing van 15
januari 1999 te handhaven".
Bij uitspraak van 15 mei 2000 heeft de rechtbank Zwolle het beroep tegen
het besluit van 15 april 1999 (het bestreden besluit) ongegrond
verklaard.
Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te
Amsterdam, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad op bij
het beroepschrift aangevoerde gronden verzocht de aangevallen uitspraak
en het bestreden besluit te vernietigen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 26 oktober 2000 (met bijlagen) van
verweer gediend.
Bij brief van 15 juli 2002 (met bijlagen) heeft gedaagde nog een
inlichting verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 oktober
2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De
Roy van Zuydewijn, voornoemd, als zijn raadsvrouw, en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. I.F. Pardaan, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij brief van 16 oktober 1998 heeft appellant gedaagde ervan in kennis
gesteld dat hij graag in Australië zou willen gaan wonen met behoud van
zijn uitkering. Daarbij heeft appellant aangegeven dat een en ander nog
maar in een beginstadium verkeerde en dat hij eerst wilde weten of hij
met behoud van uitkering naar Australië zou kunnen vertrekken alvorens
hij de verdere mogelijkheden onderzocht.
De Raad is van oordeel dat deze brief een verzoek tot informatie
behelst. Gezien de strekking van dit verzoek is de schriftelijke
mededeling van gedaagde, als vervat in de brief van 27 oktober 1998, dat
het niet mogelijk is om met behoud van een Wajong-uitkering te emigreren
naar Australië en dat bij een eventueel vertrek naar Australië de
uitkering zal moeten worden ingetrokken, niet op rechtsgevolg gericht.
Dit geldt evenzeer voor de herhaling van deze mededeling in de in
rubriek I genoemde brief van 15 januari 1999. Van een besluit in de zin
van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht is in deze brief
derhalve geen sprake.
De Raad heeft eerder het oordeel onderschreven (zie zijn uitspraak van
31 mei 2002, USZ 2002/220) dat in het geval dat een verzekerde aan
gedaagde zou meedelen dat hij zich op een bepaalde datum in een ander
land zou gaan vestigen, het alsdan door gedaagde af te geven besluit
omtrent zijn aanspraken op een uitkering wel gericht is op rechtsgevolg,
aangezien (eerst) op dat moment de aanspraken van de verzekerde op
bedoelde uitkering nader worden vastgesteld. Daaraan heeft de Raad
toegevoegd dat de Raad er begrip voor heeft dat partijen er belang aan
hechten dat het recht op uitkering van de verzekerde in geval van
vestiging in het buitenland bindend wordt vastgelegd, maar zulks
volstaat niet om een brief waarin niet meer dan informatie ter zake is
neergelegd, aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van
de Awb.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting merkt de Raad nog op
dat, voor zover al in de brief van 15 januari 1999 een rechtsoordeel van
gedaagde zou zijn neergelegd, een aanduiding van een datum waarop dit
rechtsoordeel betrekking heeft aan de gedingstukken niet valt te
ontlenen. Aan de ter zitting van de zijde van appellant opgeworpen
stelling dat sprake is van een situatie dat het afwachten van een nader
besluit een onnodig bezwarende weg impliceert (te weten dat hij eerst
naar Australië zou moeten zijn vertrokken, alvorens gedaagde een
besluit neemt) komt de Raad derhalve niet toe.
Het bezwaar van appellant gericht tegen voormelde mededeling in de brief
van 15 januari 1999 is gelet hierop niet-ontvankelijk.
Het hiervoor overwogene leidt er tevens toe dat de Raad niet toekomt aan
de stellingen van appellant dat het besluit van gedaagde in strijd is
met een of meer regelingen van supra- en internationaal recht, omdat er,
gelet op het voorgaande, in dit opzicht geen besluit valt aan te wijzen.
Op de hiervoor genoemde brief van 27 oktober 1998 van gedaagde heeft
appellant gereageerd bij brieven van 31 oktober 1998 en 14 januari 1999.
Daarbij heeft appellant er bezwaar tegen gemaakt dat hij bij het
vervallen van de AAW per 1 januari 1998, uit hoofde van welke wet hij
uitkering ontving, als gerechtigde is aangemerkt op een uitkering
ingevolge de Wajong, omdat hij als zelfstandige werkzaam is geweest en
recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Voorts heeft
appellant om een besluit terzake verzocht.
De Raad merkt de brief van 15 januari 1999 van gedaagde wel als een
besluit aan voor zover daarbij is meegedeeld dat per 1 januari 1998 de
AAW-uitkering van appellant terecht is omgezet in een Wajong-uitkering.
Bij het besluit op bezwaar van 15 april 1999 heeft gedaagde dit besluit
gehandhaafd, op de grond dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden,
genoemd in artikel XII (in het bijzonder het eerste lid, sub c) van de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (wet
van 24 april 1997, Staatsblad 1997, 178), hierna de Inga.
De rechtbank heeft als haar oordeel gegeven dat appellant door gedaagde
terecht tot de personenkring van de Wajong is gerekend, gelet op het
bepaalde in artikel XII juncto XXIII, eerste lid, sub c, van de Inga.
De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en maakt dit tot het
zijne. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep door appellant is
aangevoerd, merkt de Raad nog op dat de wettelijke systematiek zodanig
is dat diegenen van de ex AAW-gerechtigden die vielen onder artikel XII
van de Inga per 1 januari 1998 in aanmerking kwamen voor een
uitkering ingevolge de WAZ en alle overigen ingevolge artikel XXIII van
de Inga op een uitkering ingevolge de Wajong. Van een omissie van de
wetgever, wat er ook zij van de volgens appellant daaraan te verbinden
gevolgen voor het bestreden besluit, is derhalve geen sprake.
Ten slotte overweegt de Raad dat het in hoger beroep aan de Raad ter
kennis gebrachte besluit van 20 oktober 2000 van gedaagde, waarbij per 1
januari 1998 appellants uitkering ingevolge de AAW is omgezet in een
uitkering ingevolge de Wajong, geen besluit is als bedoeld in artikel
6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de brief van 15 januari
1999 van gedaagde is hieromtrent reeds een besluit gegeven, welk
besluit, gelet op het hiervoor overwogene, in stand blijft, en het
besluit van 20 oktober 2000 behelst geen wijziging of intrekking
daarvan.
Op grond van al het hiervoor overwogene komt de Raad tot het oordeel dat
de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de mededeling
in de brief van 15 januari 1999 van gedaagde met betrekking tot het
vertrek van appellant met behoud van uitkering naar Australië, voor
vernietiging in aanmerking komt, dat het inleidend beroep in zoverre
alsnog gegrond moet worden verklaard, dat het bestreden besluit van 15
april 1999 in zoverre moet worden vernietigd en dat het bezwaar van
appellant in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste
aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de
in de brief van 15 januari 1999 vervatte mededeling van gedaagde over
vertrek naar het buitenland met behoud van uitkering;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Verklaart het bezwaar van appellant in zoverre niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van € 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D.
Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 december
2002.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.D. Streefkerk.
|
|