|
Uitspraak
01/1641
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 13 december 1999 heeft gedaagde appellant in kennis
gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 11 januari 2001 het tegen
voormeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft I.T. Martens, werkzaam bij SRK-Rechtsbijstand, op
in het beroepschrift - met bijlagen - vermelde gronden hoger beroep
ingesteld tegen voormelde uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 januari 2003, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door I.T. Martens als zijn
raadsman, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
M.H. Beersma, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant ontvangt sedert 1976 een arbeidsongeschiktheidsuitkering
ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, welke ten tijde in
geding is omgezet in een Wajong-uitkering.
Gedaagde heeft aan appellant op 25 november 1998 een vragenformulier
gestuurd, waarop is aangegeven dat het formulier uiterlijk op 23
december 1998 moet zijn teruggestuurd. Appellant heeft het formulier
teruggezonden op 21 september 1999. Hij heeft daardoor de gestelde
termijn met 266 dagen overtreden. Bij besluit van 23 september 1999
heeft gedaagde op grond van artikel 3 van het Maatregelenbesluit aan
appellant een maatregel opgelegd van 20% korting op de uitkering over de
periode dat appellant in gebreke is geweest met de inzending van het
formulier. Het als gevolg van deze maatregel onverschuldigd betaalde
ziekengeld betreft een bedrag van f 4.476,17.
Gedaagde heeft in het bestreden besluit overwogen dat er geen reden is
voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid of van dringende
redenen om van het opleggen van de maatregel af te zien. Het bezwaar is
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
De Raad stelt vast dat niet betwist is dat appellant het formulier 266
dagen te laat heeft teruggezonden. Met de rechtbank is de Raad van
oordeel dat er geen redenen zijn om verminderde verwijtbaarheid aan te
nemen. Evenmin is sprake van dringende redenen om van het opleggen van
een maatregel af te zien.
De Raad stelt evenwel vast dat, naar ter zitting van de Raad door de
gemachtigde van gedaagde is erkend, de te late terugzending van het
formulier geen financieel nadeel voor gedaagde heeft veroorzaakt. De
inkomsten die appellant als taxichauffeur over het tijdvak van 24
december tot en met 31 december 1998 heeft verworven, hebben niet geleid
tot een korting. Van 1 januari 1999 tot 21 september 1999 heeft
appellant geen inkomsten verworven.
Onder verwijzing naar de uitspraak van 3 december 2002, nr. 00/3723, en
4130 WAO (bijgevoegd) overweegt de Raad dat de sanctie van f 4.476,17
onevenredig is aan de geconstateerde overtreding en dat daarom in het
onderhavige geval artikel 3 van het Maatregelenbesluit buiten toepassing
dient te blijven.
De conclusie is dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit
dienen te worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant, welke worden begroot op € 644,- aan kosten
van rechtsbijstand bij de rechtbank en € 644,- aan kosten van
rechtsbijstand bij de Raad.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ten bedrage van
€ 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11
maart 2003.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.
|
|