|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/6584 WAJONG
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
Zwolle op 12 november 2002 tussen partijen gegeven uitspraak.
Deze uitspraak is op 12 november 2002 in afschrift aan partijen
toegezonden.
Het beroepschrift is op 31 december 2002 ter griffie ontvangen. De
enveloppe waarin het beroepschrift zich bevond bevat geen
postdatumstempel.
II. MOTIVERING
Volgens artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in
samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het
volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken.
Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak
door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is
bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de
termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift
tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is
bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is
ontvangen.
Op grond van de in rubriek I vermelde gegevens moet worden geoordeeld
dat het
beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend
beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan
achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de
indiener in verzuim is geweest.
Bij schrijven van 6 januari 2003 is aan appellant gevraagd naar de reden
van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft daarop bij brief van 17 januari 2003 geantwoord dat het
beroepschrift op 20 december 2002, ter verzending is aangeboden bij TPG
Post. Als bewijs hiervoor voegt appellant een kopie van een uitdraai uit
de geautomatiseerde administratie bij. In dit administratiesysteem
worden alle handelingen die verricht worden met betrekking tot de
diverse zaken geregistreerd. Iedere handeling wordt gedateerd op de
datum waarop zij verricht is. Uit de kopie blijkt dat de verzenddatum
van het beroepschrift geregistreerd is op 20 december 2002. Dit betekent
dat het beroepschrift op 20 december 2002 ter verzending is aangeboden
bij TPG Post.
Hetgeen appellant ter zake heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop
redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is
geweest.
De Raad overweegt daartoe dat een in een geautomatiseerd
administratiesysteem aangebrachte datumaanduiding geen overtuigend
bewijs oplevert voor de terpostbezorging op die datum. De Raad acht,
mede gelet op de datum van ontvangst van het beroepschrift, te weten 31
december 2002, daarom niet voldoende aannemelijk dat het beroepschrift
reeds op 20 december 2002 ter post is bezorgd.
Het hoger beroep is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder
verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is
aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van A.J.T.M.
Bruijnis-Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11
maart 2003.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan
binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet
doen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid
te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
|
|