|
Uitspraak
02/496
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 24 augustus 2000 heeft gedaagde de uitkering van
appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 1 juni 2000 ingetrokken.
Bij besluit van 26 september 2000 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat de Wajong-uitkering over de periode van 1 juni 2000 tot
1 juli 2000 onverschuldigd is betaald en dat een bedrag van f 1.835,26
( 832,80) van hem wordt teruggevorderd.
Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, tegen
deze besluiten bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 28 december 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde deze bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 11 december 2001 het
beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. Brouwer voornoemd van die uitspraak in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 november 2002,
waar voor appellant is verschenen mr. Brouwer voornoemd en waar namens
gedaagde - zoals tevoren was bericht - niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
De intrekking van de Wajong-uitkering van appellant is gebaseerd op
artikel 17, vijfde lid, van de Wajong waarin is bepaald dat het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt indien de jonggehandicapte
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze
vrijheidsbeneming ιιn maand heeft geduurd.
Op grond van artikel XV van het overgangsrecht in het kader van de Wet
socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) wordt voorts, voor zover
hier van belang, ten aanzien van een persoon wiens vrijheid op de dag
voorafgaande aan de inwerkingtreding van de artikelen in deze wet reeds
rechtens was ontnomen, voor de toepassing van artikel 17, vijfde lid,
Wajong als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt,
aangemerkt de dag van inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel.
Appellant was sinds eind december 1998 gedetineerd en artikel 17, vijfde
lid, Wajong is in werking getreden op 1 mei 2000, zodat laatstgenoemde
dag als eerste dag wordt aangemerkt waarop de vrijheidsontneming van
appellant heeft plaatsgevonden. De uitkering wordt na een maand
ingetrokken, dat wil zeggen met ingang van 1 juni 2000.
Gedaagde raakte in juni 2000 bekend met het feit dat appellant
gedetineerd was. De betaling van de uitkering is vanaf de maand juli
2000 feitelijk stopgezet. Bij de besluiten van 24 augustus 2000,
respectievelijk 26 september 2000, is aan appellant medegedeeld dat hij
vanaf 1 juni 2000 geen recht meer had op uitkering en dat de uitkering
over de maand juni 2000 van hem werd teruggevorderd.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant tegen die
besluiten ongegrond verklaard.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het bestreden
besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en
stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde heeft
gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door de uitkering
pas bij het besluit van 24 augustus 2000 in te trekken terwijl de
detentie al in juni 2000 bij gedaagde bekend was. Voorts is aangevoerd
dat appellant er niet van op de hoogte was dat er een wetswijziging had
plaatsgevonden waardoor een gedetineerde niet langer recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het kan appellant dan ook niet worden
toegerekend dat hij zijn detentie als van belang zijnde factor voor het
recht op de Wajong-uitkering niet aan gedaagde heeft gemeld. Gedaagde
heeft daarom volgens appellants gemachtigde ten onrechte de uitkering
met terugwerkende kracht beλindigd.
De Raad is van oordeel dat er geen sprake is van een onnodig lang
uitgebleven besluit om de uitkering in te trekken. Gedaagde heeft
voldoende alert gereageerd op het in juni 2000 bekend geworden feit dat
appellant gedetineerd was door de betaling van de uitkering per 1 juli
2000 te staken en vervolgens minder dan twee maanden daarna het besluit
af te geven dat de uitkering met ingang van 1 juni 2000 wordt
ingetrokken. Voorts onderschrijft de Raad de stelling van gedaagde dat
aan de Wsg in ruime mate publiciteit is gegeven, waardoor appellant er
van op de hoogte had kunnen zijn dat ook voor hem sprake zou zijn van
intrekking van zijn Wajong-uitkering. De intrekking met terugwerkende
kracht komt dan ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Voorts is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat gedaagde op
grond van artikel 55 Wajong het teveel betaalde bedrag diende terug te
vorderen. Van dringende redenen om daarvan op de voet van het vierde lid
van dit artikel geheel of gedeeltelijk af te zien, is de Raad niet
gebleken.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 februari
2003.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|