|
Uitspraak
01/648
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 19 juli 1999 heeft appellant geweigerd aan gedaagde een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen, onder overweging dat hij op en
na 1 september 1995 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Namens gedaagde heeft mr. M.J.A. Oortman, thans advocaat te Hengelo,
tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij brief van 15 maart 2000 heeft appellant aan mr. Oortman voornoemd
mededeling gedaan van een voorgenomen beslissing waarbij het bezwaar van
gedaagde gegrond wordt verklaard en waarbij hem met ingang van 17
december 1997, zijnde een jaar voor de indiening van de aanvraag, alsnog
een uitkering ingevolge de Wajong wordt toegekend, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Omdat de aanvraag niet
binnen negen maanden na het intreden van de arbeidsongeschiktheid is
ingediend, wordt evenwel op grond van het Maatregelenbesluit Lisv een
korting van 20% op de uitkering toegepast over de periode 17 december
1997 tot en met 15 december 1998.
Aan gedaagde is een kopie van de voorgenomen beslissing gezonden.
Bij besluit van 7 april 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft
appellant op het bezwaar beslist conform de hiervoor genoemde
voorgenomen beslissing.
Bij brief van 7 april 2000, welke brief op 10 april 2000 bij appellant
is binnengekomen, heeft mr. Oortman voornoemd een brief van gedaagde van
30 maart 2000 ingezonden die daarin aangeeft het niet eens te zijn met
de opgelegde maatregel. Gedaagde heeft deze brief doorgezonden aan de
rechtbank Almelo ter behandeling als beroepschrift.
De rechtbank Almelo heeft zich bij uitspraak van 20 december 2000
onbevoegd verklaard om een uitspraak te doen over het opleggen van de
maatregel en heeft bepaald dat het beroepschrift aan appellant (in die
procedure verweerder) moet worden toegezonden teneinde dit als
bezwaarschrift in behandeling te nemen. Voorts heeft de rechtbank
appellant veroordeeld in de door gedaagde (in die procedure eiser)
gemaakte proceskosten en bepaald dat appellant het griffierecht aan
gedaagde vergoedt.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. Oortman voornoemd een verweerschrift
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 februari 2003,
waar namens appellant is verschenen mr. L. Bosma, werkzaam bij het Uwv,
terwijl - zoals tevoren was bericht - gedaagde, noch zijn gemachtigde zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het
bestreden besluit, voorzover daarbij een sanctie is opgelegd, moet
worden beschouwd als een primair besluit ten aanzien waarvan eerst de
bezwarenprocedure moet worden gevolgd alvorens beroep kan worden
ingesteld bij de rechtbank.
Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het
bestreden besluit, ook voorzover dat betrekking heeft op de opgelegde
maatregel, moet worden aangemerkt als de uitkomst van de heroverweging
van het besluit om geen Wajong-uitkering toe te kennen en daarmee als
een beslissing op het bezwaar van gedaagde. Volgens appellant past het
binnen de strekking van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) om de nadere beslissing neer te leggen in de beslissing op
bezwaar.
Ingevolge dit artikel moet het bestuursorgaan op grondslag van het
bezwaar zijn besluit heroverwegen en voorzover de heroverweging daartoe
aanleiding geeft, zijn besluit herroepen en voorzover nodig in de plaats
daarvan een nieuw besluit nemen.
In de visie van appellant is er in gevallen waarin bij de heroverweging
wordt vastgesteld dat de aanvraag om uitkering ten onrechte is afgewezen
pas sprake van een afgeronde heroverweging als bedoeld in artikel 7:11
Awb, als een nadere beslissing op de aanvraag om uitkering is genomen.
In die gevallen kan niet worden volstaan met een enkele herroeping van
het besluit. Appellant heeft erop gewezen te hebben voldaan aan het
bepaalde in artikel 7:9 van de Awb, door gedaagde in de gelegenheid te
stellen om tijdens de bezwaarprocedure zijn visie te geven op de
voorgenomen nadere beslissing. Gedaagde en zijn gemachtigde zijn bij
brief van 15 maart 2000 op de hoogte gesteld van de voorgenomen
beslissing op bezwaar en zijn bij dezelfde brief in de gelegenheid
gesteld om binnen twee weken na de dagtekening van die brief hierop te
reageren dan wel aan te geven of prijs wordt gesteld op een nieuwe
hoorzitting. Bij brief van 22 maart 2000 heeft de gemachtigde van
gedaagde laten weten hiervan geen gebruik te willen maken, waarna het
bestreden besluit is genomen.
De Raad onderschrijft het standpunt van appellant. Ook naar het oordeel
van de Raad valt de beslissing om naar aanleiding van het bezwaar alsnog
een uitkering toe te kennen onder de heroverweging die ingevolge artikel
7:11 Awb gemaakt moet worden. De ingangsdatum van de uitkering en de
hoogte van de uitkering maken deel uit van de toekenningsbeslissing. De
uit het tijdstip van indiening van de aanvraag voortvloeiende beslissing
om een maatregel op te leggen waardoor het bedrag van de uitkering
gedurende een jaar met 20% wordt verlaagd vormt naar het oordeel van de
Raad onmiskenbaar één geheel met de beslissing om de uitkering toe te
kennen.
Ook is de Raad van oordeel dat appellant de bezwaarprocedure op
zorgvuldige wijze heeft afgehandeld door gedaagde in de gelegenheid te
stellen om binnen twee weken te reageren op de voorgenomen beslissing op
bezwaar.
De brief van gedaagde waarin hij bezwaar maakt tegen het opleggen van de
maatregel is na afloop van die termijn van twee weken bij appellant
binnengekomen en nadat de bezwaarprocedure was afgerond. Die brief kon
daardoor niet anders dan als beroepschrift worden aangemerkt. De
rechtbank heeft zich derhalve onterecht onbevoegd geacht om over dit
beroep te oordelen.
Nu de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep niet is
toegekomen dient de zaak op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en
onder a, van de Beroepswet ter verdere behandeling terug worden gewezen
naar de rechtbank Almelo.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de rechtbank Almelo bevoegd om van het beroep van appellant
kennis te nemen;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Almelo.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en prof. mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van drs.
T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25
maart 2003.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|