|
Uitspraak
00/3611
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 19 januari 1999 heeft appellant geweigerd aan gedaagde
een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen, onder overweging dat gedaagde
na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op en na 24 april
1998 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 19 juli 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft
appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 19 januari 1999
ongegrond verklaard.
De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 26 juni 2000 het beroep
tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit
vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met
inachtneming van die uitspraak, alsmede bepaald dat appellant aan
gedaagde het griffierecht dient te vergoeden en appellant veroordeeld
tot een proceskostenvergoeding van f 1.420,- (€ 644,-).
Appellant heeft, op bij aanvullend beroepschrift van 4 oktober 2000 (met
bijlage) aangevoerde gronden, tegen die uitspraak hoger beroep
ingesteld.
Namens gedaagde heeft mr. L. Koning, advocaat te Haarlem, een
verweerschrift d.d. 2 november 2000 (met bijlage) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 november
2001, waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde in persoon is
verschenen, bijgestaan door mr. Koning, voornoemd.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 21
januari 2002 aan R. Tonneijck, psychiater, verzocht van verslag en
advies te dienen.
Voornoemde deskundige heeft de Raad op 27 juni 2002 over zijn
bevindingen gerapporteerd.
Bij brief van 6 augustus 2002 (met bijlage) is van de zijde van
appellant op het rapport van Tonneijck, voornoemd, gereageerd.
Desgevraagd heeft de deskundige Tonneijck hierop in een aanvullende
rapport van 27 december 2002 gereageerd.
Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven de nadere behandeling
van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft op 11 augustus 1998 een aanvraag ingediend voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Op 9 september 1998 is gedaagde
onderzocht door de verzekeringsarts W.M. Koek die, na informatie te
hebben ingewonnen bij de behandelend klinisch psycholoog B. van Dongen,
als diagnose stelde paniekaanvallen bij een persoonlijkheid met angstige
en ontwijkende trekken. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van
gedaagde vastgelegd op het formulier 'Functie Informatie Systeem va/ad'
van 10 september 1998. Op basis van de door de verzekeringsarts aangegeven
belastbaarheid heeft de arbeidsdeskundige F. Schellevis met behulp van
het Functie Informatie Systeem (FIS) een aantal gangbare functies
geselecteerd, waarmee gedaagde een zodanig loon kon verwerven dat het
verlies aan verdiencapaciteit ten opzichte van haar maatmaninkomen - dat door de arbeidsdeskundige is bepaald op het minimumloon - minder
dan 25% bedroeg. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 19 januari
1999 geweigerd aan gedaagde met ingang van 24 april 1998 een uitkering
ingevolgde de Wajong toe te kennen. In bezwaar is informatie ingewonnen
bij de behandelend psycholoog Van Dongen, die meedeelde dat hij gedaagde had verwezen naar het Centrum
voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie Triversum (hierna te noemen: Triversum)
te Alkmaar, en bij de aan Triversum verbonden psychiater J. Doorn, die
meedeelde dat gedaagde op de wachtlijst stond voor opname. In zijn
rapportage van 8 juni 1999 heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst
geconcludeerd dat het oordeel van de oorspronkelijk oordelend
verzekeringsarts op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat er
voldoende rekening is gehouden met gedaagdes beperkingen. Bij brief van
29 juni 1999 heeft de gemachtigde van gedaagde aan appellant bericht dat
gedaagde met ingang van 21 juni 1999 is opgenomen in Triversum. Bij het
bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 15 maart 2000 heeft appellant aan gedaagde met ingang
van 19 juli 1999 een uitkering ingevolge de Wajong toegekend, berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit
gegrond verklaard, overwegende - onder verwijzing naar een namens
gedaagde ter zitting voorgelezen brief van 15 mei 2000 van de
behandelend psychiater J. Doorn, voornoemd - dat het bestreden besluit
de toets der zorgvuldigheid niet kan doorstaan, doordat de
bezwaarverzekeringsarts, door niet te wachten op de informatie van
Triversum, deze informatie niet bij zijn oordeelsvorming heeft kunnen
betrekken.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank in strijd
met artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en ondanks
protest zijnerzijds, kennis heeft genomen van de ter zitting overgelegde
brief van 15 mei 2000. Voorts heeft appellant aangevoerd van oordeel te
zijn dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid en dat
de bezwaarverzekeringsarts van oordeel is dat de nadere informatie van
de behandelend psychiater zoals vervat in meergenoemde brief van 15 mei
2000 niet noopt om terug te komen op het standpunt met betrekking tot de
arbeidsgeschiktheid van gedaagde per 24 april 1998.
Wat betreft de procedurele grieven overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien
dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Naar het oordeel van de
Raad dient de door de gemachtigde van gedaagde eerst ter zitting van 16
mei 2000 overgelegde verklaring d.d. 15 mei 2000 van de psychiater J.
Doorn, verbonden aan Triversum, te worden aangemerkt als een nader stuk,
als bedoeld in deze bepaling. In aanmerking genomen dat appellant door
het in een zo laat stadium van de procedure in het geding brengen van
dat stuk daarop niet naar behoren heeft kunnen reageren, had de
rechtbank, gelet op de aard en de inhoud van dit stuk, nu zij in de
gegeven omstandigheden afgezien heeft van de mogelijkheid om te weigeren
dit stuk in ontvangst te nemen, ter vermijding van de situatie die
artikel 8:58 van de Awb juist wenst te voorkomen, gebruik dienen te
maken van haar bevoegdheid tot schorsing van het onderzoek ter zitting
als bedoeld in artikel 8:64 van de Awb dan wel tot heropening van het
onderzoek als bedoeld in artikel 8:68 van de Awb, teneinde appellant in
de gelegenheid te stellen zich over de inhoud van bedoeld stuk uit te
laten. Door dit achterwege te laten heeft de rechtbank in strijd
gehandeld met de beginselen van een goede procesorde. Reeds om deze
reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.
De Raad heeft zich vervolgens beraden over de vraag of de zaak naar de
rechtbank dient te worden teruggewezen. De Raad beantwoordt die vraag
ontkennend, nu nader onderzoek in de zaak niet (meer) noodzakelijk is.
Ten aanzien van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden, overweegt de Raad het volgende.
Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling kent
de Raad doorslaggevende betekenis toe aan de op verzoek van de Raad door
de psychiater Tonneijck, voornoemd, op 27 juni 2002 en 27 december 2002
omtrent gedaagde uitgebrachte rapporten. Deze deskundige is van oordeel
dat het aannemelijk is dat bij gedaagde op de in geding zijnde datum
sprake was van een paniekstoornis en een sociale fobie op basis van een
persoonlijkheidsstoornis, narcistische theatrale en vermijdende trekken,
ten gevolge waarvan gedaagde volledig arbeidsongeschikt was.
In 's Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel
van een onafhankelijk door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige
in beginsel pleegt te volgen. Dit kan onder meer anders zijn als zich de
bijzondere situatie voordoet dat uit de reactie van die deskundige op
een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde
deskundige moet worden afgeleid dat de door de rechter ingeschakelde
deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen.
Van deze laatste bijzondere situatie is in het onderhavige geval, gelet
op het rapport van de deskundige van 27 december 2002, waarin hij
gedetailleerd ingaat op de opmerkingen van de bezwaarverzekeringsarts R.M.
Hulst op zijn rapport van 27 juni 2002, en aangeeft waarom hij zich
daarmee niet kan verenigen, geen sprake. Ook anderszins doet zich geen
bijzondere situatie voor waarin afwijking van het oordeel van de
deskundige gerechtvaardigd zou zijn.
Al het vorenoverwogene leidt de Raad tot het oordeel dat weliswaar de
aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, doch, wegens
de ontkennende beantwoording van de hiervoor geformuleerde rechtsvraag,
het inleidend beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden
besluit dient te worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de
Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep, begroot op € 644,- aan kosten voor rechtsbijstand en € 18,26
voor reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover appellant
daarbij is veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en is bepaald dat
appellant aan gedaagde het in eerste aanleg gestorte griffierecht ten
bedrage van f 60,- (€ 27,23) vergoedt;
Verklaart het inleidende beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 662,26 te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr.
J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van
Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2003.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|