|
Uitspraak
01/3455
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[Gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 15 mei 2001 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 augustus
2003, waar appellant - zoals aangekondigd - niet is verschenen, en waar
gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Blom,
advocaat te Spijkenisse, als haar raadsman.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Gedaagde, geboren op 24 december 1979, heeft bij appellant op 29 juli
1998 een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
Verzekeringsarts M.B.F.A. Strik heeft gedaagde op 31 augustus 1998
onderzocht en naar aanleiding daarvan op 1 september 1998 een rapport
uitgebracht. In dat rapport is aangegeven dat gedaagde sinds haar
geboorte slechthorend is en in verband hiermee sinds haar tweede
levensjaar gehoortoestellen draagt. Volgens Strik is gedaagde in verband
met slechthorendheid beperkt op communicatief vlak en bestaat er een
verhoogd persoonlijk risico bij gevaar opleverende plaatsen en
situaties. Voorts is gedaagde volgens Strik aangewezen op duidelijk
gestructureerde en niet te complexe arbeid, en is tevens vereist dat de
arbeid niet te zwaar fysiek belastend is. Deze beperkingen zijn nader
uitgewerkt in een in het bovengenoemde rapport opgenomen
belastbaarheidspatroon. In vervolg hierop heeft de arbeidsdeskundige C.
Nunnink voor gedaagde passende functies geselecteerd en op 20 oktober
1998 een rapport uitgebracht. De conclusie van dat rapport luidt dat de
mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde minder bedraagt dan 25%.
Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft appellant afwijzend beslist op de
aanvraag van gedaagde om een Wajong-uitkering, op de grond dat zij op en
na 23 december 1997 minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz
opnieuw de belastbaarheid van gedaagde bezien, mede aan de hand van
aanvullend verkregen medische informatie, en op 22 maart 1999 een
rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat gedaagde naast slechthorend
tevens zwakbegaafd is. Van Dam-Horowitz heeft in dit verband gedaagde op
een aantal aspecten verdergaand medisch beperkt geacht. Hierbij is
aangegeven dat op de werkplek voldoende stevigheid en veiligheid
aanwezig dient te zijn en dat in de aanvangsfase extra ondersteuning en
instructie nodig is. Daarnaast zijn door Van Dam-Horowitz nog extra
beperkingen aangenomen vanwege het tengere postuur van gedaagde alsmede
een door haar geconstateerde scoliose.
Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. Kalthof bezien in
hoeverre de aan gedaagde voorgehouden functies geschikt zijn te achten.
In het door Kalthof op 1 juli 1999 uitgebrachte rapport is vermeld dat
een aantal functies dient te vervallen, maar dat er drie functies
resteren op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid minder
bedraagt dan 25%.
Bij besluit van 5 juli 1999 zijn de bezwaren van gedaagde ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en dit
besluit vernietigd. Hiertoe heeft zij overwogen dat niet vaststaat wat
onderwerp is geweest van het in de primaire fase van de besluitvorming
gevoerde overleg tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts, en
dat niet is gebleken dat er in de bezwaarfase overleg is geweest tussen
de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts. Volgens de
rechtbank was in het onderhavige geval, gelet op de medische beperkingen
van gedaagde, nader overleg tussen de bezwaarverzekeringsarts en de
bezwaararbeidsdeskundige geïndiceerd. Voorts heeft de rechtbank
overwogen dat zij er niet van overtuigd is geraakt dat gedaagde zonder
de vereiste begeleiding werk kan aanvaarden en hierin kan functioneren.
Tot slot is volgens de rechtbank appellant onvoldoende ingegaan op de
door gedaagde geponeerde stelling dat andere slechthorenden wel met
behoud van dan wel onder toekenning van een Wajong-uitkering de vereiste
begeleiding krijgen.
Appellant heeft de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank
in hoger beroep gemotiveerd bestreden, en heeft hierbij het standpunt
ingenomen dat de onderhavige weigering om een Wajong-uitkering toe te
kennen in rechte stand kan houden. Wat betreft de vereiste begeleiding
heeft appellant onder meer naar voren gebracht dat een functie aan de
betrokken verzekerde kan worden voorgehouden, indien de daarin te
verrichten arbeid door deze verzekerde met een nog door de werkgever te
realiseren voorziening kan worden uitgeoefend, tenzij het treffen van
een dergelijke voorziening in redelijkheid niet van de werkgever kan
worden gevergd. Voorzieningen, waaronder begeleiding van
arbeidsgehandicapten bij het verrichten van arbeid, behoren bij
uitsluiting tot het terrein van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea). De door gedaagde benodigde jobcoaching
kan uitsluitend worden gerealiseerd via de Wet Rea, aldus appellant.
De Raad overweegt als volgt.
Uit het hierboven kort weergegeven rapport van de
bezwaarverzekeringsarts Van Dam-Horowitz van 22 maart 1999 maakt de Raad
op dat gedaagde, primair vanwege haar slechthorendheid en
zwakbegaafdheid, aanzienlijke arbeidsbeperkingen heeft. Volgens Van
Dam-Horowitz is de psychische belastbaarheid van gedaagde beperkt
vanwege haar slechte gehoor en haar daarmee verband houdende
achterdocht, haar zwakbegaafdheid alsmede haar gebrek aan sociaal
inzicht. Dit brengt volgens Van Dam-Horowitz mee dat op de werkplek
voldoende stevigheid en veiligheid aanwezig dient te zijn en dat in de
aanvangsfase extra ondersteuning en instructie nodig is. Van
Dam-Horowitz heeft in dit verband aangegeven dat hierbij te denken valt
aan een periode van drie maanden, gevolgd door een periode van iets
minder intensieve begeleiding, uitlopend naar ongeveer een jaar. De Raad
is van oordeel dat onder deze omstandigheden een zorgvuldige
gevalsbehandeling meebrengt dat nader wordt onderzocht en gepreciseerd
welke inhoud de benodigde begeleiding dient te hebben en dat mede wordt
bezien in hoeverre de in het kader van de Wet Rea mogelijk te treffen
voorzieningen voldoen aan de aldus vastgestelde vereisten.
Naar het oordeel van de Raad is in het onderhavige geval een afdoende
beoordeling hiervan achterwege gelaten en is het besluit van 5 juli 1999
in verband daarmee genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12,
eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit
besluit kan derhalve niet in stand worden gelaten. De uitspraak van de
rechtbank komt in zoverre voor bevestiging in aanmerking. Appellant zal
een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak van
de Raad.
De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag
groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 348,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van
der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober
2003.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.
|
|