|
Uitspraak
01/1277 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Bij primair besluit van 16 juli 1999 heeft gedaagde de op artikel 9 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
berustende verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van
appellante tot 85% van de van toepassing zijnde grondslag met ingang
van 1 oktober 1999 beëindigd.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit
van 18 april 2000 (het bestreden besluit) gegrond verklaard in die zin
dat is besloten dat de verlaging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
van appellante gefaseerd dient plaats te vinden. Besloten is de
uitkering per 16 oktober 1999 vast te stellen op 80% van de grondslag,
per 16 april 2000 op 75% van de grondslag en per 16 oktober 2000 op 70%
van de van toepassing zijnde grondslag.
De rechtbank Zutphen heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 16 januari 2001 ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Utrecht, van
deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het beroepschrift
aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 6 juni 2003, waar
voor appellante zijn verschenen mr. Van Vlastuin en haar vader F.B.M.
Reusen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.M.
Schartman, werkzaam bij het Uwv.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad heeft de Raad
besloten het onderzoek te heropenen.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 9 september 2003, waar
voor partijen dezelfde personen zijn verschenen als ter zitting van 6
juni 2003.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken, daaronder mede begrepen de rapportage d.d. 30 maart 1993
van de destijds betrokken verzekeringsgeneeskundige, het procesverbaal
van het verhandelde ter zitting in eerste aanleg en het verhandelde ter
zitting van de Raad gebleken, feiten en omstandigheden.
Appellante, geboren 18 maart 1973, is bekend met spina bifida. Zij heeft
ernstige beperkingen ten gevolge van een slechte psychische
ontwikkeling. Daarnaast heeft zij ernstige motorische problemen.
Sinds 24 september 1991 heeft appellante van gedaagde uitkeringen
ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet respectievelijk de
Wajong ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot
100%. Deze uitkeringen zijn in verband met een destijds - mogelijk onder
toekenning van het voordeel van de twijfel - bij haar aanwezig geachte
althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, welke
geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, verhoogd tot 85% van de
van toepassing zijnde grondslag.
Op 18 mei 1999 heeft de vader van appellante gedaagde verzocht om de
uitkering verder te verhogen naar 100% van de grondslag, omdat haar
hulpbehoevendheid was toegenomen.
Mede op basis van het door de verzekeringsarts R.A. Admiraal
uitgebrachte advies van 30 juni 1999 heeft gedaagde het primaire besluit
genomen. Genoemde verzekeringsarts was op basis van onderzoek tot de
slotsom gekomen dat appellante wel bij een aantal, maar niet bij alle of
nagenoeg alle essentiële levensverrichtingen hulp nodig heeft.
Naar aanleiding van het namens appellante ingestelde bezwaar heeft H.
Wind, bezwaarverzekeringsarts, op 25 november 1999 advies uitgebracht.
Genoemde arts onderschrijft de conclusie van de verzekeringsarts
Admiraal.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde besloten de Wajong-uitkering
per 16 oktober 1999 vast te stellen op 80% van de grondslag, per 16
april 2000 op 75% van de grondslag en per 16 oktober 2000 op 70% van de
van toepassing zijnde grondslag. Gedaagde heeft dit besluit gebaseerd op
het bepaalde in artikel 9 van de Wajong en het ter uitvoering daarvan
door gedaagde vastgestelde beleid, weergegeven in (de bijlage van) het
Besluit verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering bij hulpbehoevendheid
(WAO, WAZ, Wajong) 1999 (verder te noemen: het Besluit).
In beroep is van de zijde van appellante primair aangevoerd dat uit
artikel 9 van de Wajong volgt dat er bij hulpbehoevendheid per
definitie sprake is van behoefte aan geregelde oppassing en verzorging
en dat het gedaagde daarom niet vrijstaat in zijn beleid zodanig
onderscheid te maken tussen verschillende soorten van hulpbehoevendheid
dat dit in sommige gevallen van hulpbehoevendheid leidt tot het weigeren
van verhoging van de uitkering. Subsidiair is gesteld dat appellante bij
(nagenoeg) alle essentiële levensverrichtingen hulp nodig heeft en dat
zij (gemiddeld) ten gevolge van ziekte, vermoeidheid en vakantie minder
dan vier dagen per week een dagverblijf bezoekt.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe onder meer
het volgende overwogen (waarbij appellante is aangeduid als eiseres en
gedaagde als verweerder):
"Artikel 9 van de Wajong bepaalt dat een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van 80% of meer, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste
zijn grondslag wordt verhoogd, indien de jonggehandicapte verkeert in
een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, die
geregeld oppassing en verzorging nodig maakt.
(...)
De rechtbank overweegt allereerst dat, anders dan eiseres meent, met de
bijzin "die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt" uit
artikel 9 van de Wajong een nadere invulling wordt gegeven aan de
vereiste mate van hulpbehoevendheid. Eiseres kan dan ook niet worden
gevolgd in haar standpunt dat uit artikel 9 volgt dat er bij
hulpbehoevendheid per definitie sprake is van behoefte aan geregelde
oppassing en verzorging en dat verweerder daarom ten onrechte
onderscheid maakt tussen verschillende soorten hulpbehoevendheid.
(...)
Gelet daarop moet worden vastgesteld dat eiseres in elk geval niet in
aanmerking komt voor een verhoging van haar uitkering naar 100% van de
grondslag. Zij verblijft normaliter 4 dagen per week in een dagverblijf
voor volwassenen, zodat niet wordt voldaan aan de ter zake de
100%-categorie in het Besluit genoemde voorwaarde dat niet in beduidende
omvang oppassing en verzorging wordt genoten uit hoofde van een andere
voorziening. Dat eiseres wellicht door ziekte of vermoeidheid en als
gevolg van vakanties niet altijd in staat is het dagverblijf te bezoeken
doet aan de bedoeling haar daar 4 dagen per week te doen verblijven niet af en kan daarom niet leiden
tot een ander oordeel.
(...)
De medische bevindingen waarop de besluitvorming is gebaseerd zijn als
zodanig niet bestreden. Wel heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat
de door de verzekeringsarts gebezigde woorden "grotendeels" en
"een deel" impliceren dat eiseres die betreffende handelingen
niet zelf kan verrichten. Met verweerder is de rechtbank echter
desalniettemin van oordeel dat gezien het totaal van de medische
bevindingen, zoals die door de primaire verzekeringsarts in zijn
voornoemde rapportage zijn verwoord, de conclusie gerechtvaardigd is dat
eiseres niet bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks
terugkerende levensverrichtingen hulp nodig heeft.
Ook van een verhoging van de uitkering naar 85% van de grondslag kan
derhalve geen sprake zijn."
Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen onder herhaling
en nadere adstructie van de in eerdere instanties aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit
neergelegde standpunt.
In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd noch anderszins in de
voorhanden gegevens heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om in een
andere zin dan de rechtbank te oordelen. De Raad onderschrijft in grote
lijnen de overwegingen van de rechtbank en voegt daar nog aan toe dat
hij reeds in eerdere uitspraken (onder meer van 29 december 1995, AAW
1993/1202, van 24 november 1998, USZ 1999/24 en van 26 november 1999, nr.
97/10879 AAW) het beleid van gedaagde, dat inhoudt dat in gevallen
waarin op de punten oppassing en verzorging alleen voldaan is aan de in
het beleid gestelde minder stringente criteria (hetgeen een verhoging
naar 85% van de grondslag zou rechtvaardigen), de uitkering gehandhaafd
blijft op 70% indien ten minste vier dagen per week een dagverblijf
wordt bezocht, in beginsel rechtens aanvaardbaar heeft bevonden. Voorts
ziet de Raad in de rapportages van de verzekeringsartsen Admiraal en
Wind, die mede gebaseerd zijn op de door Admiraal ingevulde - en ter
zitting van de Raad van 6 juni 2003 van de zijde van appellante, zij het
met beperkingen, correct bevonden - vragenlijst van 30 juni 1999,
onvoldoende steun voor het standpunt van appellante, dat zij bij alle of
nagenoeg alle, dagelijks terugkerende levensverrichtingen hulp nodig
heeft. Ten slotte is de Raad niet gebleken van bijzondere omstandigheden
die voor gedaagde aanleiding hadden moeten vormen om van het betreffende
beleidsonderdeel af te wijken.
De Raad onderkent dat een - gefaseerde - verlaging van de eerder
toegekende verhoging van de uitkering in reactie op een verzoek om
verdere verhoging een verrassend en onbevredigend resultaat voor (de
ouders van) appellante is. Nu echter niet gebleken is van strijd met
enige regel van geschreven of ongeschreven recht kan dit feit niet
leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht - tenslotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.I.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.I. Rijnen.
|
|