|
Uitspraak
02/4100
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 1 mei 2001 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde van
appellante teruggevorderd het naar zijn mening ten onrechte over de
periode van 1 juli 1999 tot en met 31 december 2000 door appellante
ontvangen gedeelte van haar uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ten bedrage
van f 25.110,36.
Bij besluit van 20 juni 2001 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde omtrent
de invordering van het bedrag van het gestelde ten onrechte door
appellante ontvangen gedeelte van haar uitkering beslist.
Bij besluit van 20 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar van
appellante tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat
is ingediend en haar bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard onder
vaststelling van de maandelijkse termijn voor terugbetaling van de
vordering op f 100,=.
De rechtbank Haarlem heeft het door mr. V.J.M. Janszen, advocaat te
Haarlem, namens appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 20
november 2001 (hierna: het bestreden besluit) bij mondelinge uitspraak
van 25 juni 2002, nummer AWB 01/1690 WAO, ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven
gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 27 oktober 2003 nog
enkele stukken overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 november 2003, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en
G.C. van Seumeren, en waar namens gedaagde is verschenen mr. C. Vork,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat ter zitting door de gemachtigde van appellante
desgevraagd is verklaard dat in hoger beroep alleen aan de orde is de
niet-ontvankelijkverklaring bij het bestreden besluit van het tegen
besluit 1 gemaakte bezwaar. Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de
rechtbank het beroep trouwens ook als zodanig opgevat en beoordeeld.
Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de
Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante, die sedert 27 januari 1997 in het genot is van een uitkering
ingevolge de Wajong, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 80 tot 100%, heeft zich op 28 mei 2001 vervoegd bij een loket van
een kantoor van gedaagde. In het van het gesprek van appellante met een
functionaris van gedaagde opgemaakte loketrapport van 28 mei 2001 is als
onderwerp van het loketgesprek vermeld "TV". Blijkens het
loketrapport heeft appellante behalve het treffen van een
betalingsregeling met betrekking tot de terugvordering in dit gesprek
gesteld dat zij het niet eens is met het terug- vorderingsbedrag en dat
dit bedrag naar haar mening te hoog is. Bij brief van 24 juli 2001 heeft
de gemachtigde van appellante bezwaar gemaakt tegen de besluiten 1 en 2
en heeft hij met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar
tegen besluit 1 aangegeven dat appellante reeds in mei 2001 tijdens
mondelinge gesprekken met medewerkers van gedaagde bezwaar heeft
gemaakt. Desgevraagd door gedaagde heeft de gemachtigde, voornoemd, bij
brief van 21 september 2001 gewezen op contacten met medewerkers van gedaagde in
mei 2001 en aangegeven dat appellante geen schriftelijk bezwaar kon
maken omdat zij psychische problemen heeft en een duidelijk waarneembare
verwarde indruk maakt. Ter hoorzitting van 5 november 2001 heeft
appellante desgevraagd medegedeeld in het loketgesprek van 28 mei 2001
aangegeven te hebben het niet eens te zijn met de terugvordering.
Gedaagde heeft in het bestreden besluit overwogen dat met het door de
gemachtigde van appellante op 24 juli 2001 ingediende bezwaarschrift
tegen besluit 1 te laat bezwaar is gemaakt. Voorts heeft gedaagde
gesteld dat, gelet op de wettelijke regeling, de mondelinge mededeling
van appellante tijdens het meergenoemde loketgesprek, inhoudende dat zij
het niet eens is met besluit 1, niet als een bezwaarschrift kan gelden
en dat gedaagde niet is gebleken, dat appellante, die op enig moment de
hulp van haar gemachtigde heeft ingeroepen, niet in staat zou zijn
geweest tijdig een bezwaarschrift in te dienen of daarvoor hulp in te
roepen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in
artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is volgens gedaagde
dan ook geen sprake.
In beroep heeft de gemachtigde van appellante zijn in bezwaar
voorgedragen standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het
bezwaar tegen besluit 1 in essentie herhaald.
De rechtbank heeft blijkens de aangevallen uitspraak - evenals gedaagde
vaststellende dat tegen besluit 1 te laat bezwaar is gemaakt - het
standpunt van gedaagde met betrekking tot het niet verschoonbaar zijn
van de termijnoverschrijding onderschreven. De rechtbank heeft voorts
geoordeeld dat de hier bedoelde mededeling van appellante tijdens het
loketgesprek op 28 mei 2001 niet kan worden beschouwd als een
bezwaarschrift omdat die mededeling niet voldoet aan artikel 6:4 van de
Awb.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante zijn in eerdere
fasen van de procedure voorgedragen standpunt in essentie herhaald.
De Raad stelt voorop dat uit artikel 6:4 van de Awb en de overige
artikelen in de Awb, welke betrekking hebben op het maken van bezwaar,
waaronder artikel 6:5, zonder meer valt op te maken dat het maken van
bezwaar schriftelijk dient te geschieden.
De Raad overweegt voorts dat de gemachtigde van gedaagde ter zitting
desgevraagd heeft aangegeven dat het wel eens voorkomt dat, indien
tijdens een loketgesprek blijkt dat een betrokkene het niet eens is met
een ten aanzien van hem genomen besluit en kenbaar maakt daartegen
bezwaar te willen maken, maar niet goed weet hoe zulks te doen, die
betrokkene daarmee ter plekke door de functionaris van het Uwv wordt
geholpen. De Raad stelt, afgaande op het loketrapport van 28 mei 2001,
voorts vast dat de betreffende functionaris naar aanleiding van de
mededeling van appellante dat zij het niet eens is met de hoogte van de
terugvordering, niet gevraagd heeft aan appellante wat de bedoeling van
die mededeling was. Voorts is ter hoorzitting, toen appellante de inhoud
van haar mededeling desgevraagd herhaalde, niet gevraagd wat haar
oogmerk was met het doen van die mededeling.
Gelet op een en ander is de Raad van oordeel, dat, zo al niet tijdens
het loketgesprek onderkend had kunnen en moeten worden dat appellante
tegen besluit 1 bezwaar wilde maken - in welk verband de Raad erop wijst
dat de vermelding in het loketrapport van ?TV? als onderwerp van het
loketgesprek naar zijn oordeel geen andere betekenis kan hebben dan te
betreffen de in besluit 1 vervatte terugvordering - en zou moeten worden
vastgesteld dat de betreffende functionaris appellante in dat opzicht
behulpzaam had moeten zijn, in elk geval in de bezwaarprocedure vanwege
gedaagde onderzoek had moeten worden gedaan naar het oogmerk van
appellante met het mondeling doen van de betreffende mededeling. De
gelegenheid voor een zodanig onderzoek was bij uitstek geweest de
hoorzitting van 5 november 2001, waar vanwege gedaagde evenwel niet
nader is gevraagd naar het oogmerk van appellante. Indien zulks vanwege
gedaagde bij die gelegenheid wel was onderzocht, had het, gelet op de
stukken, in de rede gelegen dat het resultaat van dat onderzoek was
geweest dat appellante met het doen van haar mededeling beoogde bezwaar
te maken tegen besluit 1. Naar het oordeel van de Raad had alsdan geen
rechtsregel er aan in de weg gestaan om het loketrapport, waarin de
mededeling van appellante schriftelijk was vastgelegd, tevens als
geschrift aan te merken, waarin het mondeling kenbaar gemaakte bezwaar
van appellante was vastgelegd, en had de bezwaarprocedure kunnen dienen
ter herstel van het aan het loketrapport klevende gebrek dat daarop niet
was aangetekend dat dit tevens een bezwaarschrift is en had appellante
alsnog de gelegenheid kunnen worden geboden dit bezwaarschrift te
ondertekenen.
Het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden
besluit, voorzover dit ziet op besluit 1, onzorgvuldig is voorbereid en
mitsdien in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te
worden vernietigd. De aangevallen uitspraak kan evenmin in stand worden
gelaten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en een bedrag groot € 644,= voor
verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voorzover daarbij het
bezwaar van appellante tegen besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard,
gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, tot een bedrag
groot € 1.288,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzeringen aan
appellante het betaalde recht van € 111,= vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 december
2003
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|