|
Uitspraak
03/3225
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 8 augustus 2002 heeft gedaagde appellante ingaande 13
september 2000 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekend.
Bij besluit van 3 oktober 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2002 wegens niet
verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 16 mei 2003 het
beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. A.P.M.A. Laeyendecker, advocaat te Oss, op
bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden tegen die uitspraak hoger
beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 februari 2004,
waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.A.A. Vos,
kantoorgenoot van mr. Laeyendecker, voornoemd, en waar namens gedaagde,
met voorafgaand schriftelijk bericht, niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid
en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
"Op 13 september 2001 heeft eiseres, die geboren is op 7 juli 1981,
een uitkering ingevolge Wajong aangevraagd. Bij besluit van 8 augustus
2002 heeft verweerder deze uitkering toegekend met ingang van eerst 13
september 2000 omdat zij in beginsel niet eerder kan ingaan dan een jaar
voor de datum van aanvraag, en er geen sprake is van bijzondere
omstandigheden om van deze regel af te wijken. Namens eiseres is gesteld
dat dit besluit door de moeder van eiseres (hierna: moeder) op 20 september 2002 is aangetroffen in eiseresses
brievenbus, in een reeds geopende enveloppe. Na hierover nog dezelfde
dag contact te hebben gehad met eiseres, die zelf sinds april 2002 in
een gesloten inrichting verblijft, heeft moeder -desgevraagd door
eiseres- aan gemachtigde verzocht bezwaar te maken. Gemachtigde heeft op
23 september 2002 een bezwaarschrift gefaxt en ter post bezorgd."
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit
van 8 augustus 2002 niet-ontvankelijk verklaard omdat niet binnen de
gestelde bezwaartermijn van zes weken bezwaar is gemaakt en de
termijnoverschrijding door gedaagde niet verschoonbaar is geacht.
Ook de rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot de slotsom gekomen
dat de termijnoverschrijding door appellante niet verschoonbaar is te
achten.
In hoger beroep gaat het eveneens om de vraag of de
termijnoverschrijding bij het instellen van bezwaar al dan niet
verschoonbaar is te achten.
De Raad oordeelt, mede gelet op hetgeen door partijen in hoger beroep
naar voren is gebracht, als volgt.
De Raad stelt allereerst vast dat het besluit van 8 augustus 2002 door
gedaagde aan het op dat moment bij gedaagde bekende woonadres van
appellante is verzonden. Namens appellante is weliswaar aangevoerd dat,
nu appellante sedert april 2002 in een gesloten inrichting verbleef,
gedaagde het besluit van 8 augustus 2002 niet aan het juiste adres heeft
gezonden, doch de Raad verwerpt dit alleen al omdat gesteld noch
gebleken is dat gedaagde door of namens appellante van het adres van de
inrichting op de hoogte is gesteld.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, lid 1, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) gaat de bezwaartermijn van zes weken op de dag na
verzending, in casu op 9 augustus 2002, in en is de laatste dag van de
bezwaartermijn 19 september 2002.
Nu het bezwaarschrift eerst op 23 september 2002 is ingediend is de
bezwaartermijn overschreden.
Gelet op het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van
een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift
niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is
geweest.
Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante in verband
met haar opname in een gesloten inrichting in 2002 een regeling heeft
getroffen voor de ontvangst en behandeling van post doch dat deze
regeling niet adequaat is gebleken en dat zulks voor risico en rekening
van appellante komt.
Namens appellante is betoogd dat appellante haar moeder geen opdracht
heeft gegeven haar zaken te behartigen, maar dat haar moeder dit gedaan
heeft omdat appellante dit zelf niet kon en meestentijds eenmaal per
twee tot drie weken de post bij appellante ophaalde en naar haar toe
bracht.
De Raad stelt vast dat de moeder van appellante feitelijk de zaken van
appellante tijdens haar verblijf in een inrichting heeft waargenomen en
acht het onaannemelijk dat zulks zonder de (impliciete) toestemming van
appellante is geschied. Doordat de moeder van appellante de post bij
appellante slechts eenmaal in de twee à drie weken heeft opgehaald,
heeft zij het risico genomen dat de post te laat zou worden afgehandeld.
De Raad is met gedaagde van oordeel dat zulks onder de gegeven
omstandigheden voor rekening en risico van appellante komt en dat er
derhalve geen aanleiding is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te
achten.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|