|
Uitspraak
02/4765
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 30 mei 2001 heeft appellant geweigerd gedaagde een
uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen op de grond dat gedaagde vanaf
haar zeventiende jaar niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is
geweest.
Bij het besluit van 28 december 2001, hierna: het bestreden besluit,
heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 30 mei
2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 29 juli 2002, nr. WAJONG
02/369-STU, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit
vernietigd en bepaald dat appellant binnen zes weken na verzending van
de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van die
uitspraak, met nevenbepalingen omtrent de vergoeding van griffierecht en
proceskosten.
Appellant heeft tegen die uitspraak op bij aanvullend beroepschrift
vermelde gronden hoger beroep ingesteld.
Namens gedaagde heeft J. van Dongen-Spado, verbonden aan Servicebureau
"Spado" te Rotterdam, een verweerschrift en nadien nadere
medische stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 april 2004, waar
namens appellant is verschenen mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv,
terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door Van
Dongen-Spado, voornoemd.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Gedaagde heeft in januari 2001 een aanvraag om een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend, waarbij zij heeft aangegeven
vanaf de geboorte ziek te zijn en vσσr het intreden van de
arbeidsongeschiktheid als gezinsverzorgster in de thuiszorg te hebben
gewerkt. De klachten betroffen moeheid, krachtsverlies en pijn in
spieren en gewrichten. Na aanhoudende klachten zou de diagnose
mitochondriale myopathie zijn gesteld, welke aandoening vanaf de
geboorte aanwezig zou zijn. Daarnaast zou vanaf 1996 sprake zijn van
schildklierklachten.
De verzekeringsarts P. van Haren, die gedaagde op 19 maart 2001 heeft
gezien, onderschrijft in zijn rapport van 25 april 2001 de diagnose
mitochondriale myopathie en merkt omtrent de actuele belastbaarheid van
gedaagde op dat zij beperkt moet worden geacht ten aanzien van zware en
langdurige arbeid, maar in staat moet zijn lichte, voornamelijk zittende
werkzaamheden gedurende 20 uren per week uit te voeren. Daaraan voegt
hij het volgende toe: "De aard van het ziektebeeld maakt het
aannemelijk dat belanghebbende reeds voor het achttiende levensjaar
klachten en dus beperkingen ondervond."
In een volgend rapport van 23 mei 2001 komt de voornoemde
verzekeringsarts tot het volgende oordeel:
"Belanghebbende is een 40-jarige vrouw met een progressieve
neurologische ziekte waarbij uit het spreekuurcontact d.d. 19-03-2001
blijkt dat de eerste klachten rond maart 1978 zijn ontstaan. Met
genoemde klachten heeft ze in 1978 een opleiding tot gezinsverzorgde
afgerond en heeft vervolgens 9 maanden gewerkt als gezinsverzorgende.
Zo bezien kan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op zijn vroegst in
oktober 1978 geschat worden, zij was toen 18 jaar, en is dus geen sprake
van onafgebroken arbeidsongeschiktheid vanaf haar 17e verjaardag."
Vervolgens weigert appellant bij besluit van 30 mei 2001 gedaagde een
uitkering op grond van de Wajong toe te kennen op de grond dat zij vanaf
haar zeventiende verjaardag niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt
is geweest.
Nadat namens gedaagde in de bezwaarfase nadere medische informatie van
de behandelend internist dr. G. de Jong is overgelegd, komt de
bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink in zijn rapport van 26 november
2001 tot de slotsom dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken
van het voormelde oordeel van de verzekeringsarts.
Vervolgens wordt het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
In de aangevallen uitspraak stelt de rechtbank in de eerste plaats vast
dat de aanspraken van gedaagde op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
als jeugdgehandicapte op basis van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) hadden moeten zijn beoordeeld.
Omtrent de beoordeling van de aanspraken van gedaagde door appellant
overweegt de rechtbank in de aangevallen uitspraak, waarin appellant als
verweerder en gedaagde als eiseres wordt aangeduid, het navolgende:
"Eiseres stelt dat zij in toenemende mate last heeft ondervonden
van vermoeidheidsklachten, met als gevolg dat zij haar stages als gezinsverzorgster niet heeft kunnen afmaken, zij ontslag moest nemen en
zij nadien vanwege haar klachtenpatroon niet meer aan het
arbeidsproces heeft kunnen deelnemen. Nu niet in geschil is dat eiseres
vanaf haar vroege jeugd lijdt aan mitochondriale myopathie, een ziekte
die onder andere ernstige vermoeidheidsklachten kan veroorzaken, moet
worden nagegaan of die ziekte een progressief verloop heeft en de
daarmee gepaard gaande klachten eiseres inderdaad, zoals zij stelt,
voorafgaand aan 1 januari 1998 zodanig hebben beperkt, dat zij als
gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten in staat is geweest zich
met gangbare arbeid een inkomen te verwerven.
Nu verweerder zich deze vraag niet heeft gesteld en het onderzoek ten
onrechte beperkt is gebleven tot de periode maart 1977 tot en met
oktober 1978, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit
wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor
vernietiging in aanmerking komt."
Appellant erkent in hoger beroep dat de beoordeling van de
arbeidsongeschiktheidsaanvraag van gedaagde dient te geschieden aan de
hand van de bepalingen van de AAW zoals deze tot de datum van intrekking
op 1 januari 1998 gold en verzoekt de Raad het bestreden besluit te
beschouwen als een weigering tot toekenning van een uitkering ingevolge
de AAW (in plaats van een uitkering ingevolge de Wajong).
Als inhoudelijke grief tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant in
hoger beroep het navolgende naar voren gebracht:
"Ondergetekende meent, anders dan de rechtbank, dat het onderzoek
terecht beperkt is gebleven tot de periode maart 1977 tot en met oktober
1978. De aanvraag van mevrouw [naam gedaagde] dient, nu zij als eerste
arbeidsongeschiktheidsdag 7 maart 1978, haar 18e verjaardag, heeft
aangegeven, alsmede heeft aangegeven dat zij vanaf de geboorte ziek was
-
en later in beroep heeft aangegeven dat zij sinds haar 10e klachten
heeft -, naar het oordeel van ondergetekende te worden gezien als een
aanvraag om toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering als
jeugdgehandicapte ingevolge het bepaalde in art. 6, 1e lid onder b AAW,
zoals dat in 1978 luidde: 'recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft de verzekerde, die op de dag,
waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is; zodra hij onafgebroken
52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze
periode nog arbeidsongeschikt is.'
In de uitspraak van 25 september 1991, gepubliceerd in RSV 1992/67 heeft
uw Raad aangegeven dat in een geval waarin betrokkene er geen
misverstand over had laten bestaan dat haar aanvraag ertoe strekte haar
in aanmerking te doen brengen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering
wegens en handicap die reeds sedert haar geboorte bestaat, en waarin een
rechtsvoorganger van ondergetekende een zodanige beslissing niet had
afgegeven maar had aangeknoopt bij een arbitraire datum, de beslissing
buiten de aanvraag van betrokkene om ging zodat gezegd moet worden dat
de beslissing geen adequate reactie op de aanvraag was.
Naar het oordeel van ondergetekende is met de beslissing op bezwaar van
28 december 2001, doordat deze zich niet uitstrekt tot de periode na de
18e verjaardag van mevrouw [naam gedaagde] een beslissing genomen die
een adequate reactie, zoals door uw Raad in voornoemde uitspraak
genoemd, op de aanvraag van mevrouw [naam gedaagde] is. Naar het oordeel
van ondergetekende is bij het nemen van de beslissing ook voldoende
onderzoek gedaan.
In de uitspraak van uw Raad van 13 augustus 2002, USZ 2002/279 heeft uw
Raad in een geval waarin in een primair besluit uitsluitend was
beoordeeld of en verzekerde de verkorte wachttijd van art. 43a WAO had
doorgemaakt, aangegeven dat niet valt in te zien dat de heroverweging in
bezwaar zich mede had dienen uit te strekken tot een beoordeling van de
aanspraak van de verzekerde op uitkering na ommekomst van een wachttijd
van 52 weken. In deze uitspraak ziet ondergetekende, nu de primaire
beslissing zich niet uitstrekt tot de periode na de 18e verjaardag van
mevrouw [naam gedaagde], ook een bevestiging voor de juistheid van zijn
opvatting dat de heroverweging in bezwaar zich niet uit hoeft te
strekken tot na de 18e verjaardag van mevrouw [naam gedaagde] en dat
verder onderzoek niet noodzakelijk is.
Ondergetekende merkt tenslotte op dat mevrouw [naam gedaagde] ter
terechtzitting heeft verklaard dat zij in 1978 het diploma tot
gezinsverzorgster heeft behaald en dat zij 9 maanden officieel als
gezinsverzorgster heeft gewerkt, maar door diverse ziekteperioden
feitelijk minder. In de ziekteperioden heeft ze ziekengeld ontvangen. De
bedrijfsarts heeft haar voor meer dan 85% goedgekeurd ter voorkoming van
een WAO-uitkering. Verder heeft mevrouw [naam gedaagde] ter
terechtzitting verklaard dat zij destijds ontslag gewoon heeft
geaccepteerd en daarna nooit meer gewerkt heeft. Nu mevrouw [naam
gedaagde] daardoor niet aan de inkomenseis van de AAW voldoet, ziet
ondergetekende geen belang bij verder onderzoek."
De Raad oordeelt als volgt.
In de eerst plaats overweegt de Raad geen aanleiding te zien het
bestreden besluit te beschouwen als een weigering tot toekenning van een
uitkering ingevolge de AAW. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat er
geen sprake is van een kennelijk misslag bij het op schrift stellen van
het bestreden besluit. Verder stelt de Raad vast dat het hoger beroep,
zoals de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft
aangegeven, met name is gericht tegen dat gedeelte van de aangevallen
uitspraak waarbij de rechtbank heeft aangegeven dat het onderzoek van
appellant zich niet had dienen te beperken tot de periode van maart 1977
tot en met oktober 1978.
De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten
aangetroffen om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts, dat
appellante vanaf haar zeventiende verjaardag niet 52 weken onafgebroken
arbeidsongeschikt is geweest, voor onjuist te houden.
Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts doorslaggevende
betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheden dat gedaagde gedurende
twee jaar een opleiding tot gezinsverzorgende heeft gevolgd, deze
opleiding met succes heeft afgerond en vervolgens 9 maanden als
gezinsverzorgster heeft gewerkt.
Gedaagde heeft wel gesteld dat vanwege haar beperkingen de opleiding is
verlengd en dat zij zich diverse malen heeft moeten ziekmelden, maar
deze omstandigheden niet kunnen aantonen. Voorzover deze omstandigheden
aanleiding zouden moeten geven voor twijfel, komt die twijfel voor
risico van gedaagde, die eerst 23 jaar na het bereiken van de 18 jarige
leeftijd een aanvraag om een Wajong-uitkering heeft ingediend.
Ten aanzien van de grief dat het onderzoek van appellant zich terecht
heeft beperkt tot de periode van maart 1977 tot en met oktober 1978,
oordeelt de Raad als volgt.
Appellant moet worden toegegeven dat de eerdergenoemde aanvraag om een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ertoe lijkt te strekken om gedaagde in
aanmerking te doen komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens
een handicap die reeds sedert haar geboorte bestaat. In zoverre lijkt
het bestreden besluit een adequate reactie op de aanvraag.
Nu echter de verzekeringsarts Van Haren in zijn voornoemde rapport van
23 mei 2001, zoals hierboven aangehaald, heeft aangegeven dat de eerste
klachten rond maart 1978 zijn ontstaan en de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag op z'n vroegst in oktober 1978 vastgesteld kan
worden, komt het de Raad voor dat appellante ter zake van eventueel op
die datum ingetreden arbeidsongeschiktheid mogelijk aanspraak kan maken
op een AAW-uitkering anders dan als jeugdgehandicapte en is de Raad dan
ook van oordeel dat appellant een te beperkt onderzoek heeft ingesteld.
In het kader van een zorgvuldig onderzoek kan daarbij niet worden
volstaan met een louter medisch oordeel doch zal ook een nader
arbeidskundig onderzoek dienen plaats te vinden naar de vraag of
gedaagde met haar beperkingen buiten staat was te achten haar toenmalige
werk als (leerling-)gezinsverzorgster dan wel andere, passende arbeid te
verrichten zonder relevant verlies aan verdiencapaciteit. De Raad merkt
daarbij overigens op dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling een minder
retrospectief en dus minder arbitrair karakter zou hebben gehad, indien
gedaagde haar arbeidsongeschiktheid eerder bij appellant zou hebben
gemeld.
Anders dan de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat een onderzoek
naar mogelijke aanspraken van appellante op een uitkering ingevolge de
AAW zich dient te beperken tot de periode dat appellante ter zake van
eventuele arbeidsongeschiktheid aan de inkomenseis c.q. de eis van
enig inkomen voor de AAW kan voldoen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak met verbetering
van gronden, zoals hierboven weergegeven, voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,-
voor verleende rechtsbijstand
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van 409,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot 644,- ;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van 409,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op
2 juni 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|