|
Uitspraak
03/504
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 1 november 2000 heeft gedaagde aan appellante met ingang
van 12 mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Appellante heeft bij schrijven van 15 januari 2002 tegen dit besluit
bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 23 mei 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 17 december 2002, onder
kenmerk 02/1096, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 maart 2004, waar
appellante in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is
verschenen mr. A.E.G. de Jong, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of de in het
bestreden besluit opgenomen niet-ontvankelijkverklaring van het tegen
het besluit van 1 november 2000 gemaakte bezwaar van 15 januari 2002 in
rechte stand kan houden.
Ingevolge artikel 6:8, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb), in samenhang met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb vangt de
bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit
verzonden is.
De Raad stelt vast dat de termijn voor het indienen van een
bezwaarschrift tegen het besluit van 1 november 2000 is aangevangen op
de dag na de verzending op eveneens 1 november 2000, te weten 2 november
2000 en is geëindigd op 14 december van datzelfde jaar. Appellantes bezwaarschrift van 15
januari 2002 is derhalve ruim buiten de bezwaartermijn van zes weken
door gedaagde ontvangen.
Appellante heeft aangevoerd dat de omstandigheden waarin ze verkeerde
tijdens en na de ontvangst van het besluit van 1 november 2000 zodanig waren dat ze om psychische en lichamelijke
redenen niet in staat was tijdig bezwaar te maken. De door haar
echtscheiding noodzakelijk geworden verkoop van het door appellante geëxploiteerde
cafébedrijf verliep niet naar wens en appellante had te maken met
diverse tegenslagen die leidden tot gerechtelijke procedures waarbij
appellante bijgestaan werd door een naar haar mening slecht
functionerende advocaat. De geschetste omstandigheden leidden er ook toe
dat appellante meer last kreeg van haar aandoening
narcolepsie-cataplexie en ook van de bijverschijnselen daarvan zoals
concentratieproblemen. Ter zitting heeft appellante aangevoerd in die
tijd eigenlijk zwaar overspannen te zijn geweest en het gevoel te hebben
gehad samen met haar dochter alleen het hoofd te moeten bieden aan de
moeilijke situatie waarin ze zich bevond.
Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante een verklaring van
haar huisarts C.A.J. Maas van 7 juni 2002 overlegd waarin deze verklaart
dat appellantes aandoening een belemmering is voor zeer veel bezigheden.
Ook de behandelend neuroloog van appellante A.H. Temmink meldt in zijn
brief van 27 januari 2003 dat narcolepsie een aandoening is die
gekenmerkt wordt door concentratiezwakte, aandachts- en
inprentingsstoornissen met veel automatische vergissingen welke een
sterk invaliderend effect hebben en waarvan de klachten onder invloed
van spanningen en emoties in forse mate toenemen.
De Raad ziet zich voor de vraag geplaatst of gedaagde zich terecht op
het standpunt heeft gesteld dat appellante het niet aannemelijk heeft
gemaakt dat het niet mogelijk was tijdig bezwaar in te dienen vanwege
een persoonlijk en sociaal onvermogen en door het ontbreken van iemand
die - kennelijk op geen enkel moment - enige hulp kon verlenen. Gedaagde
heeft er bovendien op gewezen dat voor het veiligstellen van de
bezwaartermijn een zeer beperkte schriftelijke actie van de zijde van
appellante reeds voldoende was geweest.
De bovenstaande vraag wordt door de Raad, evenals door de rechtbank,
bevestigend beantwoord. Uit de door appellante geschetste situatie - hoe
moeilijk die ook was - kan niet worden afgeleid dat appellante gedurende
de bezwaarfase bij voortduring buiten staat is geweest zich tot gedaagde
te wenden, dit mede ook omdat ze wel in staat is gebleken voor andere
procedures een advocaat in te schakelen en voorts omdat haar dochter
haar in die periode behulpzaam was. Niet kan dan ook redelijkerwijs
worden geoordeeld, dat appellante ten aanzien van de
termijnoverschrijding niet in verzuim is geweest, zodat voor een
achterwege blijven van een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar
met toepassing van artikel 6:11 van de Awb in dit geval geen plaats is.
Ter voorlichting van appellante merkt de Raad nog op dat de in het
bestreden besluit aan appellante toegekende Wajong)-uitkering de maximale
80/100% uitkering is die gedaagde op een daartoe strekkende aanvraag kan
toekennen. Mocht appellante de bedoeling hebben gehad in plaats van
bovengenoemde uitkering een uitkering op basis van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan te vragen dat wijst de Raad
appellante erop dat de WAO een werknemersverzekering is waar
appellante - behoudens in het geval van vrijwillige verzekering voor de
WAO - als zelfstandig onderneemster, geen aanspraak op kan maken.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van
Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|