|
Uitspraak
02/3769
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. A.H.J. Barten, advocaat te Boxmeer, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 13 juni 2002, onder
nummer AWB 01/1647 WAJONG, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 april 2004, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Barten,
voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. L. Smid, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant ontvangt sedert 1 januari 1988 een uitkering als
jonggehandicapte, thans op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 14 en 18 april 2000
is appellant gesignaleerd op een parkeerterrein in 's-Hertogenbosch waar
hij parkeerkaartjes van uitrijdende automobilisten doorverkocht. Nadat
appellant op maandag 21 augustus 2000 ter zake was gehoord, waaruit
bleek dat appellant sedert januari 2000 op ten minste vier dagen per
week deze activiteit verrichtte en dat hij daarmee gemiddeld f 250,- tot
f 300,- per dag verdiende en geregeld nog meer, heeft gedaagde bij
besluit van 3 januari 2001 (besluit 1) aan appellant bericht dat zijn
uitkering over de periode van 1 februari 2000 tot 22 augustus 2000 niet
wordt uitbetaald omdat hij in die periode op basis van zijn inkomsten
eigenlijk minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Tegen besluit 1 is geen
bezwaar gemaakt.
Nadat op 14 en 28 december 2000 en op 15 januari 2001 was geconstateerd
dat appellant doorging met het verkopen van parkeerkaarten, heeft
gedaagde per 1 februari 2001 de uitbetaling van appellants uitkering
opgeschort en is hem bij besluit van 2 februari 2001 (besluit 2)
meegedeeld dat hem vanaf 22 augustus 2000 vanwege inkomsten uit arbeid
geen uitkering werd uitbetaald. Ook tegen besluit 2 is geen bezwaar
gemaakt.
Nadat appellant vanwege de opschorting van zijn uitkering met gedaagde
contact had gezocht, is de uitbetaling van de uitkering met ingang van
14 februari 2001 hervat.
Bij besluit van 15 februari 2001 heeft gedaagde van appellant
teruggevorderd een bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering over de
periode van 1 februari 2000 tot 1 februari 2001 van in totaal f
21.252,58 bruto inclusief overhevelingstoeslag. Het namens appellant
tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 mei 2001
(hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten
onrechte de dagvaarding in de strafzaak niet bij zijn beschouwing heeft
betrokken en ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat appellant van het
hem ten laste gelegde is vrijgesproken.
Voorts stelt appellants gemachtigde dat de rechtbank ten onrechte is
voorbijgegaan aan de zwakbegaafdheid van appellant. Vanwege zijn
zwakbegaafdheid was appellant zich er niet van bewust, en niemand heeft
hem er ook op gewezen, dat hij zijn activiteiten op de parkeerplaats bij
gedaagde diende te melden. In dat verband heeft de gemachtigde er op
gewezen dat appellant na het eerste verhoor onverschrokken is doorgegaan
met de handel. Dat hij de mededelingsplicht van artikel 62 van de Wajong
heeft geschonden kan hem dan ook niet worden tegengeworpen. Door zijn
zwakbegaafdheid zou appellant ook de kortingsbesluiten niet hebben
begrepen en zou het niet maken van bezwaar tegen deze besluiten hem niet
kunnen worden verweten.
Appellant stelt voorts dat hij met de parkeerkaartenhandel niets heeft
verdiend, dat hij niet heeft gefraudeerd omdat het een vriendendienst
betrof en dat in ieder geval het bedrag van f 550,- bruto inclusief
vakantiegeld per maand dat hij vrij mag bijverdienen buiten beschouwing
dient te blijven.
De Raad overweegt als volgt.
Vast staat dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten 1
en 2, zodat die besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden. Die
besluiten zijn in dit geding dan ook niet aan de orde. De rechtbank
heeft met juistheid overwogen dat gelet daarop appellants grief over de
hoogte van de door gedaagde in aanmerking genomen inkomsten niet aan de
orde kan komen. Ook de Raad gaat aan die grief alsmede aan de gestelde
reden voor het achterwege blijven van het instellen van bezwaar voorbij.
Voorts heeft de rechtbank met juistheid vastgesteld dat het onderhavige
beroep beperkt is tot de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit
terecht en op goede gronden het besluit heeft gehandhaafd, waarbij
gedaagde een bedrag van f 21.252,28 aan over de periode van 1 februari
2000 tot 1 februari 2001 onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering van
appellant heeft teruggevorderd.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de vraag of appellant
verwijtbaar tekort is geschoten in de mededelingenplicht van artikel
62 van de Wajong in dit geding niet aan de orde is, nu het bestreden
besluit uitsluitend betrekking heeft op de terugvordering van
onverschuldigd betaalde uitkering wegens korting van de uitkering met
inkomsten uit arbeid. Naar het oordeel van de Raad zien de grieven dat
appellant door zijn zwakbegaafdheid niet heeft begrepen dat zijn
activiteiten op de parkeerplaats tot korting van zijn uitkering zouden
leiden en dat de rechtbank ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat
appellant in de strafrechtelijke procedure is vrijgesproken op de
verwijtbaarheid van het tekortschieten in de mededelingenplicht. Aan die
grieven gaat de Raad dan ook eveneens voorbij.
Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Wajong wordt de uitkering die
onverschuldigd is betaald door gedaagde van de belanghebbende
teruggevorderd.
De Raad stelt vast dat gezien het vorenoverwogene niet in geding is dat
gedaagde over de periode van 1 februari 2000 tot 1 februari 2001 aan appellant onverschuldigd uitkering ingevolge de
Wajong heeft uitbetaald. Voorts stelt de Raad vast dat appellant tegen
de terugvordering als zodanig geen grieven heeft ingebracht. Voor zover
appellant met zijn beroep op zwakbegaafdheid en zijn stelling dat hij
geen inkomen heeft verworven tevens een beroep heeft willen doen op een
dringende reden om van terugvordering af te zien, overweegt de Raad dat
pas van een dringende reden als bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wajong sprake kan zijn wanneer de
betrokkene door de terugvordering financieel dan wel psychisch zodanig
in de problemen komt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Van
een dergelijke omstandigheid is de Raad in het geval van appellant niet
gebleken.
Gezien het vorenoverwogene kan het bestreden besluit in stand blijven en
dient de aangevallen uitspraak, zij het met aanpassing van de gronden,
te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. Van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op
2 juni 2004.
(get.) Ch. Van Voorst.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|