|
Uitspraak
02/2231
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 27 oktober 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellante
een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen onder de overweging dat
appellante na afloop van de wachttijd op 25 augustus 2000 minder dan 25%
arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 21 juni 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellante
tegen het besluit van 27 oktober 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 28 februari 2002, reg.nr. WAJONG 01/1651 BRG, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam,
namens appellante op bij aanvullend beroepschrift van 16 mei 2002
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 april
2004, waar appellante noch haar gemachtigde is verschenen en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geschil is of gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellante met ingang van 25 augustus 2000 terecht heeft vastgesteld op
minder dan 25% in de zin van de Wajong.
Op 14 juli 2000 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts R.M.E.
Blanker die op basis van zijn bevindingen bij zijn onderzoek een
belastbaarheidspatroon heeft opgesteld, waarin de medische beperkingen
van appellante zijn neergelegd.
De arbeidsdeskundige G. Philip heeft met inachtneming van het
belastbaarheidspatroon een aantal functies geselecteerd die naar zijn
mening door appellante kunnen worden vervuld. Vergelijking van het
mediane loon van de drie functies waarin het meest kan worden verdiend,
met het maatmaninkomen (minimumjeugdloon met opleidingsniveau 2) wees
uit dat het arbeidsongeschiktheidspercentage in de zin van de Wajong
minder dan 25 bedraagt.
De schatting is gebaseerd op de functies telefoniste-receptioniste (Fb-code
3804), loketiste (Fb-code 3318) en inpakker geneesmiddelen (Fb-code
9717). Tevens zijn de functies van telefoniste (Fb-code 3802),
medewerker kwekerij (Fb-code 6231) en coupeuse (Fb-code 7965) aan
appellante voorgehouden.
De bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt heeft geoordeeld dat de
functie van coupeuse niet geschikt was voor appellante en heeft deze
functie laten vervallen. Het vervallen van deze functie heeft evenwel
geen invloed gehad op het arbeidsongeschiktheidspercentage.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken geen
grondslag bieden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor
onjuist te houden. De verzekeringsarts heeft appellante onderzocht en
de bezwaarverzekeringsarts heeft zich - met inachtneming van de door
appellante ingebrachte medische stukken - met het oordeel van de
verzekeringsarts kunnen verenigen. Tijdens het beroep in eerste aanleg
is, evenmin als tijdens het hoger beroep, nadere medische informatie
ontvangen van de zijde van appellante.
Tijdens de hoger beroepsprocedure heeft gedaagde redenen gezien om de
functies van loketiste (Fb-code 3318), telefoniste (Fb-code 3802) en
medewerker kwekerij (Fb-code 6231) niet meer aan de schatting ten
grondslag te leggen en heeft hij deze functies laten vervallen. Hiervoor
in de plaats zijn de functies productiemedewerker wikkelafdeling (Fb-code
8535) en productiemedewerker kunststof (Fb-code 9019) geduid, wat naar
vaste jurisprudentie van de Raad in situaties van einde wachttijd is
toegestaan. Vergelijking van het mediaanloon met het maatmaninkomen van
appellante laat zien dat er geen verlies aan verdiencapaciteit is.
De Raad is van oordeel dat ten aanzien van de asterisken, die aangeven
dat er mogelijk sprake is van overschrijding van de belastbaarheid op
het desbetreffende aspect, voldoende is gemotiveerd waarom deze functies
geschikt zijn voor appellante. Ook voor het overige oordeelt de Raad dat
de functies passend en geschikt zijn voor appellante en dat er voldoende
functies met voldoende arbeidsplaatsen zijn geduid om de schatting op te
baseren.
Met betrekking tot appellantes stelling dat het problematisch voor haar
kan zijn om het traject naar en van haar werk af te leggen, gezien de
bij haar bestaande medische klachten, oordeelt de Raad dat gedaagde in
voldoende mate met de visusproblemen van appellante rekening heeft
gehouden. De Raad verwijst tevens naar de door de rechtbank hieromtrent
gegeven motivering.
Uit het vorengaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet
slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W.
van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei
2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|