|
Uitspraak
02/4221
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. E. Hoek, advocaat te Utrecht, op bij
beroepschrift (met bijlagen) vermelde gronden in hoger beroep gekomen
van een door de rechtbank Utrecht op 3 juli 2002 tussen partijen gegeven
uitspraak (reg.nr. SBR 01/1701), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Op 21 april 2004 zijn namens appellante nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 mei 2004,
waar namens appellante is verschenen haar gemachtigde, mr. Hoek,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
J.A.M. Anedda, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen in rubriek
II van de aangevallen uitspraak onder 'Feiten en standpunten van
partijen' is vermeld.
De Raad volstaat hier met vermelding van het volgende. Appellante,
geboren op 30 augustus 1976, heeft in november 1993 haar VWO-opleiding
gestaakt wegens onder meer vermoeidheidsklachten en
concentratiestoornissen. In 1995 heeft appellante een aanvraag ingediend
om een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Naar aanleiding van deze
aanvraag is door verzekeringsarts A. Wolffenbuttel op 25 april 1995 een
rapport uitgebracht. In dit rapport is als diagnose de ziekte van
Pfeiffer gesteld en is vermeld dat in verband hiermee lichte
arbeidsbeperkingen gelden in die zin dat appellante is aangewezen op
eenvoudige, energetisch lichte werkzaamheden. De arbeidsdeskundige H.M.
Peters heeft vervolgens op 16 mei 1995 een rapport uitgebracht, waarin
de conclusie is neergelegd dat appellante met passende functies een
dusdanig inkomen kan verdienen dat geen verlies aan verdiencapaciteit
resteert. Bij besluit van 1 juni 1995 is geweigerd om aan appellante een
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te
kennen, op de grond dat appellante vanaf 1 december 1993 niet 52 weken
onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en in ieder geval vanaf 30
november 1994 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Op 31 mei 1999 heeft appellante zich ziek gemeld voor haar werk als
schoenverkoopster wegens darmklachten. Op 30 augustus 2000 heeft zij een
aanvraag ingediend om een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hierbij heeft
appellante aangegeven dat zij in ieder geval sinds november 1993 lijdt
aan chronische vermoeidheidsklachten en dat bij een ziekenhuisopname in
juni 1999 is gebleken dat vermoedelijk de ziekte van Crohn hiervan de
oorzaak is.
Na medisch en arbeidskundig onderzoek is bij besluit van 7 februari 2001
geweigerd om een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te
kennen vanwege de op 31 mei 1999 ingetreden arbeidsongeschiktheid.
Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt, in welk verband zij
onder meer heeft aangegeven dat haar aanvraag van 30 augustus 2000
gezien moet worden als een verzoek om terug te komen van het besluit van
1 juni 1995. Op 26 juni 2001 heeft de bezwaarverzekeringsarts B.C.
Bockwinkel een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellante
sinds mei 1999 bekend is met de ziekte van Crohn, dat die aandoening
inmiddels grotendeels in remissie is en dat er met betrekking tot de
periode van de 17e verjaardag van appellante tot mei 1999 geen nieuwe
relevante feiten of omstandigheden zijn gebleken.
Bij besluit van 6 augustus 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante met name verwezen naar de
besluitvorming met betrekking tot de aanvraag van appellante om een
uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
per einde wachttijd op 29 mei 2000. Hierbij heeft zij erop gewezen dat
verzekeringsarts Y.M. Margry in een rapport van 5 april 2001 heeft
vermeld dat appellant lijdt aan extreme vermoeidheidsklachten, dat die
klachten er al waren ten tijde van de aanvang van de WAO-verzekering in
1997 en dat er een medische urenbeperking geldt van maximaal 20 uur per
week. Nu anderzijds geldt dat bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel in zijn
rapport van 26 juni 2001, opgesteld in het kader van de aanvraag om een
Wajong-uitkering, heeft vermeld dat de belastbaarheid van appellante van
1993 tot 1999 ongewijzigd is gebleven, is er sprake van tegenstrijdige
verzekeringsgeneeskundige bevindingen, aldus appellante. Volgens
appellante had gedaagde, gelet op het rapport van verzekeringsarts
Margry van 5 april 2001, terug moeten komen van het besluit van 1 juni
1995.
De Raad overweegt als volgt.
Bij het besluit van 1 juni 1995 heeft gedaagde afwijzend beslist op een
aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de AAW ter zake van
op 1 december 1993 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Dit besluit is in
rechte onaantastbaar geworden.
Gelet op het verslag van de op 19 juni 2001 gehouden hoorzitting en mede
gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad moet worden
geconcludeerd dat de door appellante op 30 augustus 2000 ingediende
aanvraag aangemerkt moet worden als een nieuwe aanvraag van dezelfde
strekking. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde de zaak opnieuw
inhoudelijk beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst
heeft geleid.
Volgens inmiddels vaste rechtspraak van de Raad geldt hierbij het
volgende.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere
afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij
het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het
bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat
daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van
deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de
weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit.
Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de
dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van
rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de
bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke
afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van
nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het
bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het
oorspronkelijke besluit te herzien.
De Raad is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van nieuwe
feiten of veranderde omstandigheden. In de eerste plaats wijst de Raad
erop dat in het hiervoor vermelde rapport van verzekeringsarts Margry
van 5 april 2001 geen oordeel wordt uitgesproken over de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellante in het kader van de AAW dan wel de
Wajong op de datum die thans in geding is. De enkele omstandigheid dat
verzekeringsarts Margry - primair met betrekking tot de periode 1997 en
verder - een andere inschatting maakt van de belastbaarheid van
appellante dan zoals in het kader van het bestreden besluit is gemaakt,
is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om een nieuw gebleken feit
aan te nemen. In dit verband benadrukt de Raad dat bij het nemen van het
besluit van 1 juni 1995 rekening is gehouden met de
vermoeidheidsklachten van appellante. Ook overigens is de Raad niet
gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die voor
gedaagde aanleiding hadden moeten zijn om op het besluit van 1 juni 1995
terug te komen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de
aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. J.W.P.
van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni
2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.
|
|