|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/5797 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 31 maart 1999 heeft gedaagde de uitkering van appellant
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 juni 1999
ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellants
arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25% was.
Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam,
tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 6 juli 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 8 oktober 2002, reg.nr.
99/1217, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. Stoppelenburg, voornoemd, op bij aanvullend
beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Gedaagde en appellant hebben nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 april 2004, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.
Stoppelenburg, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.H.A.H.
Smithuijsen, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 1 juni
1999, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het
verrichten van arbeid, maar dat appellant met inachtneming van die
beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de
arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en
stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling kent
de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan het
oordeel van de onafhankelijke en onpartijdige deskundige revalidatiearts
W.C.G. Blanken die de rechtbank van verslag en advies heeft
gediend.
In 's Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel
van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige
in beginsel pleegt te volgen.
Dit kan onder meer anders zijn als zich de bijzondere situatie voordoet
dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van
een door een partij ingeschakelde deskundige moet worden afgeleid dat de
door de rechter ingeschakelde deskundige zijn eigen oordeel niet serieus
heeft heroverwogen. Zodanige bijzondere situatie doet zich hier niet
voor.
De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat Blanken zijn oordeel
baseert op eigen onderzoek van appellant, op de in het dossier aanwezige
op appellant betrekking hebbende stukken, alsmede op de verkregen
informatie van behandelend orthopedisch chirurg prof. dr. J.W. van der
Eijken. Blanken is aanvankelijk in zijn rapportage van 6 maart 2001 niet
akkoord gegaan met het door verzekeringsarts J.D. van de Nieuwe Giessen voor appellant opgestelde
belastbaarheidspatroon. Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg
heeft echter na ontvangst van genoemd rapport van Blanken diens
standpunt ten aanzien van de voor appellant aan te nemen beperkingen
overgenomen en deze verwerkt in het belastbaarheidspatroon. Bij de
navolgende arbeidskundige beoordeling bleken er genoeg functies te
resteren om de schatting te dragen. Blanken heeft vervolgens
geconcludeerd in zijn rapport van 24 oktober 2001, na kennis te hebben
genomen van de aangepaste medische en arbeidskundige grondslag van het
bestreden besluit, dat appellant in staat moet worden geacht het
merendeel van de voorgehouden functies te vervullen.
Hetgeen in hoger beroep namens appellant is aangevoerd biedt onvoldoende
aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen
van een nader medisch onderzoek.
De Raad merkt voorts op dat voor het arbeidsongeschiktheidscriterium van
de Wajong
niet beslissend is de eigen opvatting van een verzekerde dat
hij of zij niet (volledig) kan werken.
Op grond van het bovenstaande en voorts in aanmerking genomen dat in het
licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook
overigens geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit rechtens niet
juist te achten, concludeert de Raad dat de aangevallen uitspraak,
waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard, voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van drs. T.R.H.
van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|