|
Uitspraak
02/2868
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 5 november 1999 heeft appellant ongegrond verklaard het
bezwaar van gedaagde tegen zijn besluit van 22 juli 1999 tot weigering
aan haar een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te
kennen, onder overweging primair dat de wachttijd van 52 weken sinds 10
december 1998 niet is vervuld en subsidiair dat zij per 8 december 1999
minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
Bij uitspraak van 8 april 2002, kenmerk AWB 99/11679 WAJONG, heeft de
rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van gedaagde tegen het besluit van
5 november 1999 (hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard en dat
besluit vernietigd met een bepaling over het te vergoeden griffierecht
en een proceskostenveroordeling.
Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van
12 juli 2002 (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 27 augustus 2002, ingediend
en bij brief van 29 april 2003 nog stukken in het geding gebracht waarop
appellant bij brief van 25 februari 2004 (met bijlage) heeft gereageerd.
Bij brief van 19 april 2004 heeft gedaagde wederom stukken in het geding
gebracht waarop appellant bij faxbericht van 22 april 2004 (met bijlage)
heeft gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 mei 2004.
Voor appellant is verschenen mr. J.H. van Riet, werkzaam bij het Uwv.
Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. I.G.M. van Gorkum,
advocaat te ’s-Gravenhage.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren in 1973, is op 10 december 1998 uitgevallen met
rechter schouder-, arm- en polsklachten na veelvuldig muisgebruik bij
het met behulp van een computer invulling geven aan haar
afstudeerproject in het kader van haar studie bouwkunde aan de
Technische Universiteit Delft, die zij als gevolg van die klachten heeft
opgeschort.
Gedaagde is op 25 juni 1999 op het spreekuur geweest bij de
verzekeringsarts F.L. van Duijn. Deze heeft haar onderzocht en telefonisch overleg
gepleegd met de haar behandelende fysiotherapeut F.B. van Wijk. Aan de
hand van zijn bevindingen heeft hij een belastbaarheidspatroon opgesteld
en is hij gekomen tot de conclusie dat gedaagde is aangewezen op
voltijdse werkzaamheden waarbij wat afwisseling van lichaamshouding
mogelijk is en waarbij al te zware handelingen kunnen alsook een
duurbelasting van meer dan een kwartier aaneengesloten kan worden
vermeden.
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige E. Krijgsman drie functies (met
als extra nog een vierde functie) geselecteerd die hij na overleg met de
verzekeringsarts Van Duijn over mogelijke overschrijdingen van haar
belastbaarheid aan gedaagde heeft voorgehouden. Een theoretische
schatting op basis van deze drie functies hebben hem gebracht tot de
conclusie dat appellante voor ongeveer 22%, derhalve voor minder dan het
minimum van 25%, arbeidsongeschikt is.
In bezwaar tegen het tot weigering van een Wajong-uitkering strekkende
besluit van 22 juli 1999 heeft gedaagde aangevoerd dat en in hoeverre
haar beperkingen op diverse met name genoemde aspecten zijn onderschat.
Zij heeft in dat verband gesteld dat zij de symptomen van RSI in een
vergevorderd stadium vertoont en daarvoor wordt behandeld door de
neuroloog dr. J.W. Stenvers en ook de fysiotherapeut Van Wijk.
De bezwaarverzekeringsarts E.G. van der Jagt, die ter hoorzitting
aanwezig was, heeft - van mening dat, hoewel geen objectieve afwijkingen
zijn gevonden en dus niet uitsluitend op de anamnestische beperkingen
kan worden afgegaan, maar wel kan worden gesproken van een consistent
klachtenpatroon en herstelbevorderend gedrag - evenals de
verzekeringsarts Van Duijn het bestaan van ziekte aangenomen, maar is
niet kunnen komen tot aanscherping van het belastbaarheidspatroon.
Vervolgens is bij het bestreden besluit het bezwaar van gedaagde
ongegrond verklaard.
In beroep - waarin nog uitsluitend aan de orde is de vraag of gedaagde
ten minste 25% arbeidsongeschikt is - heeft de rechtbank aanleiding
gezien als deskundige in te schakelen de neuroloog J.W.A. Swen. Deze
heeft op 24 augustus 2001 gerapporteerd dat:
- er geen neurologische afwijkingen zijn geconstateerd,
- er geen neurologische diagnose is te stellen,
- de aanvankelijk aanwezige klachten vallen onder het RSI-syndroom,
- gedaagde vermoedelijk per 8 december 1999 waarschijnlijk niet in staat
was tot het verrichten van werkzaamheden waarbij zij lichamelijke
activiteiten met haar handen zou moeten verrichten,
- bij een aantal aspecten (nrs. 5, 6, 11, 13 en 15) de belasting van de
armen dusdanig kan oplopen dat gedaagde die activiteiten niet kan
volhouden,
- de aan gedaagde voorgehouden functies van secretaresse en
telefoniste/receptioniste voor haar niet geschikt zijn, omdat in het
kader van die functies zeer frequent handelingen moeten worden verricht
die gelet op het RSI-syndroom en zeker in de beginfase tot een sterke
toename van de pijnklachten zou kunnen leiden, en
- de aan gedaagde voorgehouden functie van gastvrouw/receptioniste door
haar wel lijkt te kunnen worden vervuld.
In reactie op vragen van appellant over deze bevindingen heeft de
deskundige Swen op 30 oktober 2001 nader gerapporteerd dat naar zijn
mening is te verwachten dat enige vorm van belasting van de
arm/schoudermusculatuur bij meer dan normaal dagelijks functioneren zal
leiden tot een toename van de klachten. Onder opmerking dat uit de brief
van de gedaagde behandelend neuroloog Stenvers van 12 juli 1999 naar
voren komt dat bij RSI-gevallen een activerend beleid wordt voorgestaan
en dat niet duidelijk is waarom de deskundige Swen bij gelijke belasting
de ene functie (gastvrouw/receptioniste) wel, maar de andere twee
functies niet passend acht, heeft appellant zijn standpunt dat alledrie
de functies passend zijn, gehandhaafd.
De rechtbank heeft op basis van de bevindingen van de door haar als
deskundige geraadpleegde neuroloog Swen het beroep van gedaagde gegrond
verklaard en het bestreden besluit vernietigd, ten aanzien van een
inconsistentie van Swen op de aspecten 11 en 13 onder aantekening dat
Swen, anders dan in het door de verzekeringsarts Van Duijn op 25 juni
1999 opgestelde belastbaarheidspatroon, wél rekening heeft gehouden met
de frequentie van het repeterend handelen.
In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar een toelichting
van de bezwaarverzekeringsarts Van Duijn van 21 mei 2002 aangevoerd dat
het belastbaarheidspatroon, anders dan de deskundige Swen meent, wél
juist is. Immers, op de datum in geding was al sprake van een beleid dat
inhoudt dat personen met klachten als die van gedaagde moeten worden
gestimuleerd (rekening houdend met de mogelijkheid tot afwisseling), in
beweging moeten blijven en de bestaande mogelijkheden moeten benutten.
Daarbij komt dat Swen heeft geconstateerd dat er geen sprake is van
krachtsverlies of verhoogde uitputbaarheid, zodat gedaagde zeker de
mogelijkheid heeft om til-, althans bovenhandse activiteiten te
verrichten. Daarvan uitgaande is appellant voorts van mening dat de aan
gedaagde voorgehouden functies van secretaresse verpleegafdeling en
telefoniste/receptioniste met name op de omstreden aspecten van het
belastbaarheidspatroon voor haar wél geschikt zijn, zoals door de
bezwaararbeidsdeskundige A.G.M. Pigmans op 17 februari 2004
gedetailleerd is aangegeven.
De Raad overweegt het volgende.
Naar vaste jurisprudentie dient in beginsel het oordeel van de door de
rechter ingeschakelde onafhankelijke medische deskundige te worden
gevolgd.
In dit geval doen zich geen feiten of omstandigheden voor die voldoende
grond vormen om van deze lijn af te wijken wat het
belastbaarheidspatroon betreft. Swen heeft zich in zijn eerste rapport
nogal voorzichtig opgesteld wat de belasting van de handen betreft. Wat
de belasting van de armen betreft heeft hij in dat rapport als zijn
mening gegeven dat deze dusdanig kan oplopen dat gedaagde die
activiteiten niet kan volhouden, maar in zijn nadere rapport als reactie
op vragen van appellant heeft hij als zijn mening gegeven te verwachten
dat enige vorm van belasting van de arm/schoudermusculatuur bij meer dan
normaal dagelijks functioneren zal leiden tot een toename van de
klachten. Ook die mening geeft blijk van een slag om de arm, immers,
klachten zijn eerst te verwachten bij meer dan normaal dagelijks
functioneren. Gegeven deze formuleringen van Swen komt het de Raad
geraden voor per omstreden functie te bezien of gedaagde moet worden
geacht de aan die functie verbonden werkzaamheden te kunnen verrichten.
Wat de omstreden functies van secretaresse verpleegafdeling (fb-code
3213) en telefoniste/receptioniste (fb-code 3804), welke laatste reeds
op 13 juli 1999 extra als vierde functie aan gedaagde is voorgehouden,
betreft bestaat er naar het oordeel van de Raad ondanks het
aangescherpte belastbaarheidspatroon wel voldoende aanleiding om van het
door de rechtbank gevolgde oordeel van Swen af te wijken en het
standpunt van appellant te delen.
De Raad neemt hiertoe allereerst in aanmerking dat de gedingstukken hem
tot de overtuiging hebben gebracht dat op de datum in geding (8 december
1999) onder behandelaars bij RSI sprake was van een stimuleringsbeleid,
zoals dat niet alleen door de gedaagde behandelende neuroloog Stenvers
in zijn aan de huisarts van gedaagde (en tevens bij Swen bekende) brief
van 12 juli 1999 is aangegeven, maar ook door de gedaagde behandelende
fysiotherapeut Van Wijk in zijn aan gedaagde gerichte brief van 24
augustus 1999. Voorts kan uit de verkorte omschrijving van die functies
niet blijken van functiegebonden activiteiten die qua duur en/of andere
aspecten boven het niveau van normaal dagelijks functioneren uitgaande
eisen stellen aan het gebruik van de handen en de armen. Tevens heeft de
Raad in aanmerking genomen de inconsistentie in het rapport van Swen
daar waar hij eenzelfde belasting bij de ene functie wel doch bij de
andere functie niet mogelijk acht. De rechtbank heeft daarin geen
beletsel gezien om met Swen mee te gaan, ervan uitgaande dat Swen anders
dan in het belastbaarheidspatroon wel specifiek rekening heeft gehouden
met de frequentie waarin handelingen repeterend plaatsvinden. De Raad
volgt de rechtbank daarin evenwel niet, omdat uit de verkorte
functieomschrijvingen - zoals door de bezwaarverzekeringsarts Pigmans
in zijn rapport van 17 februari 2004 is aangegeven - is af te leiden dat
het niet gaat om (frequent) repeterende maar slechts om incidentele
handelingen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt, de aangevallen
uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog
ongegrond dient te worden verklaard.
Aangezien geen termen aanwezig zijn voor een proceskostenveroordeling,
beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden in tegenwoordigheid van mr. A.C.W.
van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juni
2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|