|
Uitspraak
02/6072 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 29 december 2000 heeft gedaagde de aan appellant op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer
verleende uitkering per 30 december 2000 ingetrokken onder overweging
dat appellant niet meer voldoet aan de eis om in aanmerking te komen
voor een uitkering op grond van die wet, te weten dat de mate van zijn
arbeidsongeschiktheid tenminste 25% bedraagt.
Bij besluit van 16 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
tegen dat besluit in zoverre gegrond verklaard dat de uitkering wordt be๋indigd
per 1 maart 2001.
Bij uitspraak van 14 oktober 2002, kenmerk 01/2097, heeft de rechtbank
Arnhem het beroep van appellant tegen evenvermeld besluit (hierna:
bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op bij
beroepschrift aangevoerde, nader bij brief van 13 mei 2004 aangevulde en
toegelichte gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 8 januari 2003, ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 28 mei 2004. Appellant en gedaagde zijn - met
kennisgeving - niet verschenen.
II. MOTIVERING
Aan appellant, geboren op [in] 1956, is op zijn op 14 november 1991
ingediende verzoek per 14 november 1990 op psychische gronden als
vroeggehandicapte een AAW-uitkering naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend. Tot dan had appellant,
sinds hij in 1989 met zijn universitaire studie politicologie in de
doctoraalfase was gestopt, een bijstandsuitkering ontvangen. Bij besluit
van 9 januari 1995 is de AAW-uitkering naar diezelfde mate voortgezet.
Op 9 augustus 2000 is appellant in het kader van een eenmalige
herbeoordeling vroeggehandicapten onderzocht door de verzekeringsarts Y.
van Gent Martinet die is gekomen tot de conclusie dat appellant medisch
gezien op dat moment over duurzaam benutbare mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid beschikt. Op basis van het door deze arts
opgestelde belastbaarheidsprofiel heeft de arbeidsdeskundige H.M. Timmer
op 24 november 2000 vijf functies geselecteerd op basis waarvan
appellant een loon zou kunnen verdienen dat, afgezet tegen zijn
maatmaninkomen, leidt tot een verlies aan verdiencapaciteit van 2,29%,
derhalve minder dan het minimum van 25%.
Vervolgens is de uitkering bij besluit van 29 december 2000 ingetrokken
per 30 december 2000, welke intrekking in overeenstemming met de
bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick en de
bezwaararbeidsdeskundige J. Kijvekamp bij het bestreden besluit is
gehandhaafd, zij het dat met inachtneming van een uitlooptermijn van
twee maanden de ingangsdatum is gewijzigd in 1 maart 2001.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe het volgende
overwogen. Gedaagde heeft bij het bepalen van appellants
restverdiencapaciteit terecht toegepast de
arbeidsongeschiktheidscriteria die golden van 1 januari 1987 tot 1
augustus 1993 (het zogeheten middencriterium), zodat de te beantwoorden
vraag is of de aan appellant voorgehouden functies hem in billijkheid
kunnen worden opgedragen. Bij de toekenning van de AAW-uitkering aan hem
bij besluit van 31 maart 1992 is appellant aangemerkt als
jeugdgehandicapte (per 13 oktober 1973). In dat kader is als maatman
gehanteerd de persoon die het wettelijk minimumloon verdient. De door
appellant gevolgde opleidingen (hij is sinds 1981 in het bezit van een
akte MO-A geschiedenis en heeft in het kader van zijn tot in 1989
gevolgde universitaire studie politicologie in 1984 met succes het
kandidaatsexamen afgelegd) hebben niet ten onrechte niet geleid tot
wijziging van die maatman. In het algemeen hanteert gedaagde een beleid
dat inhoudt dat het niveau van de te duiden functies ongeveer gelijk
moet zijn aan dat van de maatgevende arbeid, waarbij een verschil van
maximaal ้้n niveau aanvaardbaar wordt geacht. Echter, aangezien
appellant in het geheel geen arbeidsverleden heeft en evenmin heeft
gefunctioneerd op een hoger niveau dan twee, kunnen de geduide functies
op niveau twee hem in billijkheid worden opgedragen.
Ter onderbouwing van zijn oordeel dat niet alleen de opleiding, maar ook
het arbeidsverleden en dus tevens het ontbreken daarvan bepalend is voor
het antwoord op de te dezen te beantwoorden vraag heeft de rechtbank nog
verwezen naar de uitspraken van de Raad van 17 augustus 1984 (RSV
1985/9) en van 11 mei 1967 (RSV 1967/130).
In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde argumenten in
wezen herhaald en zich beperkt tot zijn in beroep bij de rechtbank
ingenomen standpunt dat inhoudt dat, gegeven het van toepassing zijnde
middencriterium, de voorgehouden functies op niveau twee hem met zijn
opleiding op niveau zes niet in billijkheid kunnen worden opgedragen.
De Raad overweegt het volgende.
De dit geschil beheersende vraag is of aan appellant als
vroeggehandicapte met een opleiding uiteindelijk op niveau zes functies
op niveau twee kunnen worden voorgehouden.
De Raad beantwoordt die vraag evenals de rechtbank bevestigend en
overweegt daartoe het volgende.
Appellant is er na de datum per welke hij als vroeggehandicapte is
aangemerkt weliswaar in geslaagd opleidingsniveau zes te bereiken, maar
op dat niveau noch op enig ander niveau heeft hij een functie vervuld.
In het kader van de AAW werd weliswaar bij de vaststelling van de mate
van arbeidsongeschiktheid zoveel als doenlijk rekening gehouden met
verkregen nieuwe bekwaamheden en kon op basis daarvan ter voorkoming van
een ongerechtvaardigde daling van het arbeidsongeschiktheidspercentage
een hoger maatmaninkomen worden vastgesteld, maar van die (beschermings)mogelijkheid
werd een terughoudend gebruik gemaakt in de gevallen waarin het bereikte
opleidingsniveau niet werd gevolgd door werken op dat niveau en in het
geheel geen gebruik gemaakt in de gevallen waarin gerede twijfel bestond
aan het feitelijk kunnen realiseren van dat hogere inkomen. Gezien zijn
psychische beperkingen acht appellant zichzelf niet in staat tot het
vervullen van een functie op zijn opleidingsniveau en naar het oordeel
van de Raad is dat standpunt van appellant niet onrealistisch; voor het
bestaan van gerede twijfel aan het feitelijk kunnen vervullen door
appellant van een functie op dat opleidingsniveau is zeker aanleiding.
De door appellant getrokken vergelijking met hetgeen gezonde personen
(als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de AAW) met soortgelijke
opleiding en ervaring (ter plaatse waar de arbeid wordt verricht of het
laatst is verricht of in de omgeving daarvan) met arbeid gewoonlijk
verdienen gaat dan ook mank.
Gegeven voorts dat het aanvangssalaris op het door appellant bereikte
opleidingsniveau minder dan 1,5 maal het wettelijk minimumloon beliep,
komt ook de Raad bij toepassing van het te dezen van toepassing zijnde
middencriterium tot een bevestigend antwoord op de vraag of de aan
appellant voorgehouden functies op niveau twee hem in billijkheid kunnen
worden opgedragen.
Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Aangezien geen termen aanwezig zijn voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en prof. mr. W.M. Levelt - Overmars als leden in
tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 23 juli 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.
|
|