|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4458 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 20 juli 1999 (bestreden besluit) heeft gedaagde
ongegrond verklaard het bezwaar van appellante dat werd geacht te zijn
gericht tegen het besluit van 9 maart 1999, waarbij de uitkering van
appellante ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong), welke werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 12 maart 1999 is
ingetrokken, omdat appellante minder dan 25% arbeidsongeschikt werd
geacht.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 15 juli 2002, nr.
99/1177 WAJONG Z, het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Namens appellante heeft mr. F.E.H.M. van Aken, advocaat te Geleen, op
bij beroepschrift van 23 augustus 2002 aangevoerde gronden tegen die
uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 23 oktober 2002, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 juni
2004, waar appellante met voorafgaand bericht niet is verschenen, en
waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door E. Huiskamp,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit
vernietigd vanwege het overschrijden door gedaagde van de termijn voor
een eerstejaars herbeoordeling van appellantes recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar vervolgens bepaald dat de
rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar medische klachten
door gedaagde zijn onderschat; zij heeft daarbij gewezen op de door haar
in bezwaar overgelegde rapportage van de orthopedisch chirurg S.K.
Bulstra d.d. 20 maart 1998 en op de rapportages d.dis. 9 april 2001 en 2
juli 2001 van de door de rechtbank als deskundige geraadpleegde
orthopedisch chirurg J.W.M. Duyzings. Voorts heeft appellante gesteld
dat zij niet in staat is tot het uitoefenen van de werkzaamheden
behorende bij de haar voorgehouden functies: appellante vreest een
extreem hoog ziekteverzuim. Appellante heeft gevorderd de aangevallen
uitspraak te vernietigen en alsnog te bepalen dat zij per 12 maart 1999
recht heeft op een uitkering ingevolge de Wajong.
De Raad overweegt het volgende.
Gelet op hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en
gevorderd, stelt de Raad vast dat het hoger beroep niet is gericht tegen
het gegrond verklaren van het beroep en het vernietigen van het
bestreden besluit en derhalve alleen betrekking heeft op het in stand
laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Hieraan ligt het
oordeel van de rechtbank ten grondslag dat - kort gezegd - het
bestreden besluit kan worden gedragen door de eraan ten grondslag
liggende medische en arbeidskundige beoordeling. Dienaangaande overweegt
de Raad het volgende.
Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit
overweegt de Raad dat de door de rechtbank geraadpleegde deskundige
Duyzings in zijn rapport van 9 april 2001 opmerkte bezwaar te hebben
tegen het opgestelde belastbaarheidspatroon van 24 november 1998 met de
aantekening “E4 moet E3 worden zoals mevr. Jonker schrijft (B35.3).”
Naar het oordeel van de Raad kan hieruit niet anders worden afgeleid dan
dat de deskundige zich kon verenigen met het door de
bezwaarverzekeringsarts J. Jonker - naar aanleiding van de door
appellante overgelegde rapportage van de orthopedisch chirurg Bulstra -
aangescherpte belastbaarheidspatroon. In zijn nadere rapport van 2
juli 2001 heeft de deskundige nog eens bevestigd dat hij het eens is met
het belastbaarheidspatroon.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad pleegt de bestuursrechter de
door hem geraadpleegde deskundige te volgen, tenzij daarvoor
contra-indicaties aanwezig zijn. Naar het oordeel van de Raad doet deze
uitzonderingssituatie zich in het onderhavige geval niet voor.
Op de vraag of appellante uitgaande van de voor haar vastgestelde
beperkingen in staat is te achten de haar voorgehouden functies te
verrichten heeft de deskundige - nadat hij zich in zijn rapport van 9
april 2001 hierover niet eenduidig had uitgelaten - in zijn nadere
rapport van 2 juli 2001 gesteld dat hij daarover in dit geval geen
duidelijk oordeel kan geven en heeft hij zijn advies aan de rechtbank om
een onafhankelijk arbeidskundige in te schakelen gehandhaafd. Naar het
oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geen
aanleiding gezien dit advies op te volgen en heeft de rechtbank eveneens
terecht en onder verwijzing naar diverse rapportages van de zijde van
gedaagde geconcludeerd dat de in de geduide functies voorkomende
asterisken afdoende zijn gemotiveerd door de bezwaarverzekeringsarts en
de bezwaararbeidsdeskundige.
Aan de stelling van appellante dat bij hervatting van werkzaamheden een
extreem hoog ziekteverzuim te verwachten is, moet de Raad voorbij gaan
nu appellante dit standpunt op generlei wijze met medische gegevens
heeft onderbouwd.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet kan
slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter, in tegenwoordigheid
van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 23 juli 2004.
(get.) J.Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|