|
Uitspraak
02/905
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
25 januari 2002, nummer WAJONG 01/1158-LAME, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 juni 2004, waar
appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen
W.L.J. Weltevreden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellante is geboren in 1942. Zij heeft van 1957 tot in 1963 in
Nederland werkzaamheden verricht. In 1963 is zij naar Amerika
vertrokken. Sedert (in elk geval) mei 1997 woont appellante weer in
Nederland.
Op 14 februari 2000 heeft appellante bij gedaagde een aanvraag ingediend
voor een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze aanvraag is aangemerkt als een
aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
Bij besluit van 8 februari 2001 heeft gedaagde appellante een uitkering
ingevolge de Wajong geweigerd omdat appellante niet voldoet aan de eisen
genoemd in artikel 91 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
Bij het bestreden besluit van 22 mei 2001 heeft gedaagde dat besluit
gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
De Raad overweegt het volgende.
Op grond van artikel XXIV, eerste lid, aanhef en onder e, van de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen is
(onder andere) artikel 91 van de AAW op appellante van toepassing
gebleven.
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of appellante
voldoet aan de in artikel 91 van de AAW neergelegde eis dat zij
gedurende het tijdvak, gelegen tussen 1 januari 1975 en 1 oktober 1976
in Nederland heeft gewoond. De Raad kan en zal zich beperken tot dit
punt van geschil.
Aanvankelijk is door appellante aangegeven dat zij in mei 1997 naar
Nederland is teruggekeerd. Eerst ter zitting van de rechtbank is naar
voren gebracht dat appellante in de hier van belang zijnde periode in
Nederland heeft verbleven. Hiervan is evenwel in deze procedure geen
begin van bewijs geleverd. Appellantes gemachtigde heeft naar voren
gebracht dat appellantes kinderen de openbare school in Spijkenisse
hebben bezocht en dat een verklaring van die school zou kunnen worden
overgelegd. Ook in hoger beroep is een dergelijke verklaring evenwel
niet ingezonden, nog daargelaten of deze op de gehele periode van 1
januari 1975 tot 1 oktober 1976 betrekking zou hebben en bovendien nog
daargelaten of uit een dergelijke verklaring iets omtrent de
verblijfplaats van appellante zou kunnen worden afgeleid.
Ook appellantes bewering ter zitting van de rechtbank dat zij in de
periode van midden 1975 tot in 1977 met een verblijfsstatus in Nederland
was, is niet nader met documenten onderbouwd.
Gezien het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat in deze
procedure niet is komen vast te staan dat appellante voldoet aan de eis
dat zij van 1 januari 1975 tot 1 oktober 1976 in Nederland woonde.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2004.
(get.) M.M.
van der Kade.
(get.) M.F.
van Moorst.
|
|