|
Uitspraak
02/2515
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 10 november 2000 heeft gedaagde aan appellante met
ingang van 8 mei 1999, zijnde een jaar voor de datum van haar aanvraag, een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Het tegen dit besluit namens appellante gemaakte bezwaar heeft gedaagde
bij besluit van 30 maart 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 3 april 2002 (reg.nr. SBR
01/723) het tegen laatstgenoemd besluit (het bestreden besluit)
ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. D.J.B. de Wolff, advocaat te Utrecht, tegen
deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad op bij aanvullend
beroepschrift aangevoerde gronden verzocht de aangevallen uitspraak te
vernietigen en te bepalen dat aan appellante over de periode van 1 juli
1996 tot 8 mei 1999 alsnog uitkering op grond van de Wajong toekomt, met
veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding in beide
instanties.
Gedaagde heeft bij schrijven van 8 juli 2002, onder verwijzing naar een
daarbij gevoegd rapport van 4 juli 2002 van de bezwaarverzekeringsarts
C.J. van der Valk, van verweer gediend.
Bij brief van 11 oktober 2002 heeft appellante de Raad een verklaring
van 5 september 2002 van onder anderen de psychiater L. Schonebaum doen
inzenden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 juni
2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De
Wolff, voornoemd, als haar raadsvrouw en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren [in] 1975, heeft op 8 mei 2000 een aanvraag om een
uitkering ingevolge de Wajong ingediend. Daarin heeft zij vermeld dat
zij sedert juni 1996 arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts E. van
den Wittenboer is op grond van door haar op 11 september 2000 verricht
onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellante als gevolg van ziekte
of gebrek vanaf haar zeventiende verjaardag geen duurzaam benutbare
mogelijkheden heeft. Daarop is het besluit van 10 november 2000 genomen,
waarbij met terugwerkende kracht van een jaar voor datum aanvraag met
ingang van 8 mei 1999 uitkering ingevolge de Wajong, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is toegekend. Appellante
heeft tegen de ingangsdatum van haar uitkering bezwaar gemaakt, omdat
zij van mening is dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan
gedaagde gebruik had behoren te maken van zijn bevoegdheid om af te
wijken van de in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Wajong neergelegde hoofdregel dat een uitkering niet eerder wordt verleend dan
met ingang van een jaar voor de datum van aanvraag. Daartoe is
aangevoerd dat appellante vanwege ernstige psychische problemen niet in
staat is geweest om eerder een beroep op de Wajong te doen.
De verzekeringsarts Van den Wittenboer heeft zich daaromtrent, zulks op
grond van de door haar uit onderzoek verkregen gegevens en de bij brief
van 29 september 2000 van de psychiater J. van Trier ontvangen
inlichtingen, op het standpunt gesteld dat er geen medische redenen
bestaan die appellante hebben belet om op een eerdere datum uitkering
aan te vragen. Appellante heeft onder overlegging van een verklaring van
23 januari 2001 van huisarts A. Gökemeyer en een schrijven van 2 maart
1999 van de behandelend fysiotherapeut V. Poel aangevoerd dat zij in de
jaren voorafgaand aan haar aanvraag niet in staat was om te praten over
de redenen die aan haar aanvraag ten grondslag liggen. Na herbeoordeling
van de medische gegevens is de bezwaarverzekeringsarts M.E. van Liere
tot de conclusie gekomen dat er geen redenen waren om af te wijken van
het oordeel van de verzekeringsarts Van den Wittenboer. Daarop is bij
het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen de ingangsdatum
van haar uitkering ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daaraan ten
grondslag gelegd dat geen sprake was van een bijzonder geval als bedoeld
in artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de Wajong, omdat er geen
medische argumenten zijn de uitkering eerder dan 8 mei 1999 te doen
ingaan.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank (onder meer) als haar
oordeel gegeven dat appellante in elk geval in juli 1998 - toen zij
haar huisarts heeft geconsulteerd en in vertrouwen heeft genomen - een
uitkering heeft kunnen aanvragen. Van de periode voorafgaand aan dit
bezoek aan de huisarts in juli 1998 heeft de huisarts gesteld dat
appellante geblokkeerd, gespannen en niet in staat was om voor zichzelf
op te komen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat in
ieder geval het moment van dit bezoek kan worden aangemerkt als het
eerste moment waarop appellante, al dan niet met behulp van haar
partner, een uitkering heeft kunnen aanvragen. Een bijzonder geval als
hier bedoeld heeft de rechtbank om deze reden niet aanwezig geacht.
In hoger beroep heeft appellante dit oordeel bestreden. Daarbij is
(samengevat) erop gewezen dat appellante eerst na haar huwelijk in 1998
voor het eerst iemand in vertrouwen heeft genomen over haar
incestervaringen, en wel haar echtgenoot. Pas in juli 1998 heeft zij
haar huisarts daarover zeer terughoudend iets kunnen en willen
vertellen. Appellante achtte zich eerst in staat een aanvraag om
uitkering te doen, nadat zij in het voorjaar van 2000 individuele
psychotherapie had gehad. Onder verwijzing naar de zich onder de
gedingstukken bevindende brief van 20 maart 2000 van de psychiater C. van Beuzekom heeft appellante aangevoerd dat zij in de periode na
juli 1998 over haar traumatische ervaringen eerst geleidelijk heeft
durven spreken. Voorts heeft appellante gewezen op de in hoger beroep
overgelegde brief van 5 september 2002 van de psychiater Schonebaum,
waarin is vermeld dat het sinds de aanvang van haar behandeling in
december 2000 vrij veel tijd had gekost voordat zij over haar
jeugdtrauma openlijk durfde spreken.
Gedaagde heeft in hoger beroep ter ondersteuning van zijn standpunt een
rapport van 4 juli 2002 van de bezwaarverzekeringsarts Van der Valk overgelegd. Deze
heeft zich geschaard achter de visie van de bezwaarverzekeringsarts Van
Liere dat appellantes huwelijk en daaropvolgende zwangerschap en
bevalling gezien moeten worden als reden voor de verlate aanvraag en
daaraan toegevoegd dat de omstandigheid dat appellante over haar trauma
niet kon praten door de verzekeringsarts Van den Wittenboer bij haar
onderzoek op 11 september 2000 al was geconstateerd en dat die aan het
doen van een aanvraag niet in de weg heeft gestaan.
De Raad overweegt met betrekking tot het partijen verdeeld houdende punt
van geschil het volgende.
Van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede
volzin van de Wajong is onder meer sprake, indien een betrokkene van een
te late aanvraag redelijkerwijs moet worden geacht niet in verzuim te
zijn.
De Raad acht, mede gelet op het verhandelde ter zitting, aannemelijk dat
appellante door de aard en de ernst van de haar overkomen
gebeurtenissen, gezien tegen de sociaal-culturele achtergrond van haar
en de daarbij betrokkenen, niet dan met zeer grote moeite en dan voor
het eerst ook pas in juli 1998 haar schroom en angst heeft kunnen
overwinnen om over die gebeurtenissen met derden te spreken. Naar aan de
gegevens van medische en andere aard valt te ontlenen is in die situatie
vanaf het moment in juli 1998, waarop zij haar huisarts hierover
consulteerde, slechts langzamerhand enige verandering gekomen. Ook bij
haar bezoek aan de verzekeringsarts Van den Wittenboer op 11 september 2000 heeft zij, naar aan het rapport van die datum valt te
ontlenen, over deze gebeurtenissen niet kunnen praten en de Raad acht
het aannemelijk dat zij om dezelfde reden niet aanwezig heeft willen
zijn op de tijdens de bezwaarfase gehouden hoorzitting.
De vraag waarvoor de Raad zich gesteld ziet is of gelet op de hiervoor
omschreven situatie van appellante in redelijkheid van haar niet gevergd
kon worden om voor 8 mei 2000 een aanvraag om uitkering te doen. Die vraag beantwoordt de
Raad met de rechtbank met betrekking tot de periode na juli 1998
ontkennend.
Daartoe acht de Raad doorslaggevend dat appellante in staat is gebleken
in met haar situatie in juli 1998 te vergelijken omstandigheden op 8 mei
2000 een aanvraag te doen. Ook in het jaar 2000 was de toestand van
appellante immers van dien aard dat zij niet (open) over het haar
overkomene kon of wilde praten. In juli 1998 had appellante door de
gesprekken met haar echtgenoot een situatie bereikt dat zij over haar
problemen de huisarts heeft kunnen consulteren. Niet valt in te zien
waarom zij al dan niet met behulp van haar echtgenoot (die blijkens de
gedingstukken een arbeidsongeschiktheidsuitkering had en derhalve bekend
was met het doen van een aanvraag) een aanvraag niet had kunnen
indienen. De omstandigheid dat zij niet dan wel niet zonder grote
schroom en angst over de gebeurtenissen uit haar verleden kon spreken
behoefde daaraan en aan verdere behandeling van die aanvraag door
gedaagde niet in de weg te staan. Zij bleek immers in staat haar
huisarts te bezoeken en andere (para)medische behandelingen te
ondergaan. De Raad moet er dan ook van uitgaan dat appellante ook in
staat zou zijn geweest het spreekuur van de verzekeringsarts te
bezoeken. Deze had bij onvermogen van appellante om iets over het haar
overkomene te zeggen bij de huisarts desgewenst (aanvullende) informatie
kunnen opvragen om zich een oordeel over de aanvraag te kunnen vormen.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het namens appellante ingestelde hoger
beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr.
A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6
augustus 2004.
(get.) D.J.
van der Vos.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|