|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4559 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is H.F. Zeiler, sociaal adviseur van de Algemene
Nederlandse Gehandicapten Organisatie, gevestigd te Enschede, in hoger
beroep gekomen van een door de rechtbank Alkmaar onder dagtekening 26
juli 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer:
AAW 01/555.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 19 december 2002 heeft de gemachtigde van appellant
een rapport van de cardioloog dr. A.E.R. Arnold, gedateerd 11 december
2002, ingezonden.
Als reactie op evenvermeld rapport heeft gedaagde de Raad een brief doen
toekomen van zijn bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons, gedateerd 16
januari 2003.
Namens appellant is vervolgens een viertal nadere medische stukken
ingezonden: een brief van de cardioloog Arnold van 2 december 2002 aan
de cardiochirurg dr. L.A. van Herwerden, een brief van de cardio-thoracaal chirurg drs.
Ch. Kik van 11 maart 2003 aan appellants huisarts, een operatieverslag, gedateerd 28
februari 2003 van Van Herwerden voornoemd en een brief van Van Herwerden
van 25 juni 2003 aan appellant.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 juni 2004, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde
H.F. Zeiler, en waar namens gedaagde is verschenen mr. L. Ritsma,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en gedaagde als
verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende weergave van de
van belang zijnde feiten en omstandigheden:
“Op 18 maart 1997 heeft eiser een aanvraag om een uitkering ingevolge
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) bij verweerder ingediend in
verband met door eiser gestelde arbeidsongeschiktheid wegens
aortaklepinsufficiëntie sinds zijn zeventiende verjaardag, zijnde 11
december 1991.
Bij besluit van 21 juli 1997 heeft verweerder beslist dat eiser op en na
einde wachttijd, 10 december 1992, minder dan 25% arbeidsongeschikt is
en dat diens aanvraag om een uitkering ingevolge de AAW derhalve wordt
afgewezen. Tegen dit besluit is door eiser bezwaar noch beroep
ingesteld.
Op 15 december 1999 heeft eiser een aanvraag ingediend om in aanmerking
te komen voor een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) wegens door
eiser gestelde arbeidsongeschiktheid sinds zijn geboorte.
Bi besluit van 8 augustus 2000 heeft verweerder eisers aanvraag
aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 21 juli
1997 en beslist dat deze aanvraag dient te worden afgewezen aangezien
uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of
omstandigheden zijn die tot de conclusie leiden dat het besluit van 21
juli 1997 onjuist zou zijn.
Tegen dit besluit is door eiser bij brief van 6 september 2000,
ontvangen op 7 september 2000, een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. Eiser is in het
kader van de bezwaarprocedure op 11 januari 2001 door verweerder
gehoord.
Bij besluit van 5 februari 2001 heeft verweerder het besluit van 8
augustus 2000 onder wijziging van de motivering gehandhaafd en het
bezwaarschrift ongegrond verklaard.”
De in bovenstaand citaat vermelde wijziging van de motivering in het
door gedaagde op bezwaar genomen besluit van 5 februari 2001 (verder te
noemen: het bestreden besluit) bestaat uit het volgende.
Gedaagde heeft, na te hebben vastgesteld dat blijkens het door zijn
verzekeringsarts ingestelde medische onderzoek bij appellant sprake is
van een toename van de - uit zijn hartkwaal voortvloeiende - beperkingen
met ingang van 1 januari 2000, in de eerste plaats overwogen dat
appellant niet in aanmerking komt voor toekenning van een uitkering
ingevolge de Wajong met toepassing van artikel 19 van die wet, nu de
toename van zijn beperkingen weliswaar voortkomt uit dezelfde
ziekteoorzaak als bedoeld in die bepaling, maar niet is ingetreden
binnen een termijn van vijf jaar na het bereiken van de wachttijd op 10
december 1992, zoals tevens wordt vereist.
In de tweede plaats heeft gedaagde overwogen dat appellant evenmin in
aanmerking komt voor toekenning van een uitkering ingevolge de Wajong op
grond van artikel 5 van die wet, nu appellant, zoals reeds was beslist
bij besluit van 21 juli 1997, niet arbeidsongeschikt was op de dag
waarop hij 17 jaar werd, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder
a, van die bepaling en hij voorts ook niet kan worden beschouwd als de
persoon als bedoeld in het tweede lid van artikel 5, dat wil zeggen de
persoon die arbeidsongeschikt wordt na het bereiken van de leeftijd van
17 jaar en in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden
studerende was in de zin zoals nader uitgewerkt in het tweede lid van
artikel 5.
Gedaagde heeft in dit verband overwogen dat appellant niet op grond van
de onderdelen a tot en met d van het tweede lid van artikel 5 van de wet
als studerende kan worden beschouwd, terwijl hij - in het bijzonder -
ook niet valt onder de restcategorie als bedoeld in onderdeel e, zulks
gelet op de opleiding die hij in 1999 heeft gevolgd en het niet voldaan
zijn aan de in laatstbedoeld onderdeel vervatte zogeheten klokureneis.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij in navolging van de
rechtbank het bestreden besluit, hoewel daarin geen expliciete
overwegingen zijn gewijd aan de weigering om terug te komen van de
eerdere beslissing van gedaagde van 21 juli 1997, aldus opvat dat daarin
- onder meer (zie hierna) ook - is gehandhaafd de in het primaire
besluit neergelegde weigering om van die beslissing terug te komen. De
Raad heeft in dit verband mede acht geslagen op het in het bestreden
besluit door gedaagde herhaalde standpunt dat appellant bij het bereiken
van de leeftijd van 17 jaar niet arbeidsongeschikt was te achten.
Met betrekking tot de houdbaarheid van vorenomschreven onderdeel van het
bestreden besluit overweegt de Raad voorts als volgt. In artikel 4:6,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat,
indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe
aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of
veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het
bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel
4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere
afwijzende besluit.
Bij besluit van 21 juli 1997 heeft gedaagde afwijzend beslist op een
aanvraag van appellant om als zogeheten jeugdgehandicapte in aanmerking
te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de AAW, op de grond dat
appellant bij het einde van de wachttijd op 10 december 1992 - de dag
waarop hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt - minder dan 25%
arbeidsongeschikt in de zin van die wet is te achten. Dit besluit is in
rechte onaantastbaar geworden. Op 15 december 1999 heeft appellant een
nieuwe aanvraag ingediend om wegens - door hem gestelde -
arbeidsongeschiktheid sinds zijn geboorte in aanmerking te worden
gebracht voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering (ingevolge de Wajong).
Gedaagde heeft deze aanvraag - in eerste instantie uitsluitend en in de
bezwaarfase mede - opgevat als een verzoek om terug te komen van zijn
eerdere besluit van 21 juli 1997. De Raad stelt zich achter het
standpunt van gedaagde dat niet is gebleken van nieuwe feiten of
veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb,
aangezien hetgeen van de zijde van appellant naar voren is gebracht ter
onderbouwing van zijn aanvraag in essentie hierop neerkomt dat hij
enerzijds stelt nog immer de aanzienlijke gevolgen te ondervinden die
zijn hartkwaal meebrengt voor deelname aan het arbeidsproces en
anderzijds erop wijst dat de omstandigheden waarin hij nadien is komen
te verkeren wel degelijk zijn veranderd. Feiten of omstandigheden in de
hiervoor bedoelde zin - die betrekking dienen te hebben op appellants
gezondheidssituatie en/of arbeidsbeperkingen op 10 december 1992 - zijn
gesteld noch gebleken.
De Raad overweegt in dit kader ten slotte nog dat de van de zijde van
appellant nader ingebrachte medische stukken, als vermeld in rubriek I,
buiten aanmerking dienen te blijven, nu die stukken niet aan gedaagde
ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het (onderhavige
onderdeel van het) bestreden besluit.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede
lid, van de Awb de aanvraag van appellant af te wijzen en voor de
motivering van die beslissing te volstaan met een verwijzing naar het
besluit van 21 juli 1997. In hetgeen namens appellant is gesteld ziet de
Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die
bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Onder verwijzing naar het verhandelde ter terechtzitting - waarin dit
aspect uitvoerig aan de orde is geweest - is de Raad voorts van oordeel
dat het onderdeel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de
weigering door gedaagde om appellant in aanmerking te brengen voor een
uitkering ingevolge de Wajong, niet kan worden beschouwd als nog te
behoren tot de uitkomst van heroverweging in bezwaar van de in het
primaire besluit van 8 augustus 2000 vervatte weigering om terug te
komen van de beslissing van 21 juli 1997.
De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat het bij dit onderdeel
niet alleen gaat om de uitvoering van een andere wet (de Wajong in
plaats van de AAW), maar voorts om andere - in aanzienlijke mate na 10
december 1992 gelegen - data waarop de gevraagde Wajong-uitkering zou
kunnen dan wel moeten ingaan en vooral ook om een geheel ander
toetsingskader en geheel andersoortige beoordelingscriteria, zoals onder
meer de vraag of appellant geacht kan worden te voldoen aan de in
artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wajong vervatte eis dat
in het refertejaar is gestudeerd in een omvang van ten minste 213
klokuren per kwartaal. Onder de hiervoor aangegeven omstandigheden moet
worden geoordeeld dat gedaagde met het de toepassing van de Wajong
betreffende onderdeel van het bestreden besluit niet is gebleven binnen
de reikwijdte en de grondslag van het primaire besluit van 8 augustus
2000.
Voor zover aldus het bestreden besluit betrekking heeft op de weigering
van Wajong-uitkering aan appellant, is onmiskenbaar sprake van primaire
besluitvorming, waartegen ingevolge het bepaalde in artikel 7:1 van de
Awb, nu de daarin vervatte uitzonderingen op de in het stelsel van de
Awb verplichte bezwaarprocedure niet van toepassing zijn, alvorens
beroep bij de administratieve rechter kan worden ingesteld, eerst
bezwaar dient te worden gemaakt.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover
betrekking hebbend op de vorenomschreven primaire besluitvorming, niet
in stand kan blijven en dat het inleidende beroep van appellant in
zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Onder analoge
toepassing van artikel 6:15 van de Awb, dat ingevolge artikel 6:24 van
die wet in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, dient het bij
de rechtbank ingediende beroepschrift van appellant te worden
doorgezonden aan gedaagde ter behandeling als een bezwaarschrift.
Onder verwijzing naar het dienaangaande ter zitting besprokene geeft de
Raad daarbij ten slotte, voor dit geding geheel ten overvloede, aan
gedaagde in overweging zijn besluitvorming, in het bijzonder wat betreft
meergenoemde klokureneis, mede gelet op hetgeen met betrekking tot die
eis van de zijde van appellant naar voren is gebracht, inzichtelijker te
doen verlopen dan tot dusverre is geschied.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en een bedrag groot € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin het beroep van
appellant tegen de beslissing tot weigering aan appellant van een
uitkering ingevolge de Wajong ongegrond is verklaard;
Verklaart appellant in zoverre niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen
het bestreden besluit;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus
2004.
(get.) J.W.
Schuttel.
(get.)
M.H.A. Jenniskens.
|
|