|
Uitspraak
02/5700
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 24
oktober 2002, onder procedurenummer AWB 01/954 WAJONG, tussen partijen
gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 juli 2004, waar
namens appellant is verschenen mr. A.H. Rebel, werkzaam bij het Uwv, en
waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Blom,
voornoemd.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Gedaagde, geboren op 11 september 1981, heeft op 28 april 2000 een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd in verband met sedert begin 1995
en op 11 september 1999 nog immer optredende vermoeidheidsklachten,
spier- en gewrichtspijn en een gebrek aan weerstand tegen ziekten.
Tijdens het onderzoek door verzekeringsarts J.C.M. Hehenkamp op 31 mei
2000 heeft gedaagde dit verzoek ingetrokken.
Bij brief van 15 juni 2000 heeft gedaagde opnieuw een Wajong-aanvraag
ingediend.
Op 11 juli 2000 is zij gezien door verzekeringsarts J.W. Smits, die haar
geschikt achtte voor hele dagen fysiek licht werk in een stofarme
omgeving en die voor haar een belastbaarheidspatroon opstelde.
Vervolgens heeft arbeidskundige L. Lind functies geselecteerd en op
basis daarvan gedaagdes mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 0%,
waarna appellant bij besluit van 20 september 2000 heeft geweigerd
gedaagde een Wajong-uitkering toe te kennen.
In bezwaar is namens gedaagde, onder overlegging van gegevens over de
medische behandeling van gedaagde in de periode 1995 tot 1997, onder
meer aangevoerd dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld, dat
de verzekeringsarts ten onrechte de behandelende sector niet heeft
geraadpleegd, dat zij de geduide functies niet kan vervullen en dat ten
onrechte ervan wordt uitgegaan dat zij gedurende een volle werkweek
arbeid kan verrichten. Nadat bezwaarverzekeringsarts J.H.M.
Kupecz-Mogendorff gedaagde had gezien en de door de primaire
verzekeringsarts vastgestelde diagnose en beperkingen in een rapport van
2 januari 2001 had bevestigd, heeft appellant bij besluit van 24 januari
2001 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft revalidatiearts dr. B.A. de Jong benoemd om ter zake
van gedaagde te rapporteren. In zijn rapport van 24 januari 2002 heeft
deze deskundige op basis van de in bezwaar overgelegde medische
gegevens, de anamnese, zijn eigen onderzoek en het door gedaagde in
eerste aanleg overgelegde rapport van Contra-expertise en
Inspanningsonderzoek naar Arbeidsbelastbaarheid (CIA), althans
voorzover daarin medisch relevante informatie is vermeld, geconcludeerd
dat er goede reden is om aan te nemen dat de destijds bij gedaagde
gestelde diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom ook ten tijde van zijn
onderzoek actueel was. Zijns inziens ontbreken sterke aanwijzingen dat
sprake zou zijn van andere tot extreme vermoeidheid en vermoeibaarheid
aanleiding gevende aandoeningen. Voorts acht hij van belang dat noch
hij, noch een der eerdere medische onderzoekers, noch de
verzekeringsartsen bij gedaagde enige tendens tot bewuste aggravatie of
simulatie hebben aangetroffen.
Naar het oordeel van de deskundige golden naar algemeen aanvaard
(actueel) wetenschappelijk inzicht, als een rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekte, bij gedaagde op 11 september
1999 en ook nog ten tijde van zijn onderzoek beperkingen met betrekking
tot zwaarte en duur van arbeidsbelasting. Hij acht deze beperkingen
correct vastgesteld en de geselecteerde functies geschikt, maar acht
gedaagde wegens haar beperkingen niet in staat om deze functies in een
volledige dagtaak te vervullen. Omdat het haar lukt om haar HBO-studie
op halve kracht te doen, acht hij haar in staat tot arbeid gedurende
ongeveer 4 uur per dag. Dit komt naar zijn mening ook overeen met de
resultaten van de klinische en poliklinische revalidatie bij De Trappenberg in 1997.
De rechtbank heeft de conclusies van de deskundige gevolgd, het beroep
gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, appellant
opgedragen een nieuw besluit te nemen en bepalingen gegeven omtrent
proceskosten en griffierecht.
Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar het verweer in eerste
aanleg en heeft voorts een rapport van 2 december 2002 toegezonden van
voornoemde bezwaarverzekeringsarts, waarin zij de conclusies van de
deskundige bestrijdt en het standpunt inneemt dat voor de eerder
aangenomen beperkingen een duidelijk medisch substraat ontbreekt, dat
het verhaal van gedaagde inconsistent is en dat chronische
vermoeidheidsklachten naar actueel wetenschappelijk inzicht nog altijd
niet aanvaard worden als een rechtstreeks en objectief medisch vast te
stellen gevolg van ziekte.
Namens gedaagde is aangevoerd dat zij door het revalidatiecentrum De
Trappenberg is gewezen op de mogelijkheid een Wajong-uitkering aan te
vragen omdat zij minder belastbaar is voor arbeid dan gezonde mensen en
dat zij om die reden, anders dan gezonde studenten, haar lage
studiefinanciering niet kan aanvullen met inkomsten uit werk. Gebleken
is dat zij tijdens haar studie de standaard studiebelasting niet heeft
kunnen volhouden. Er wordt haar gelegenheid gegeven overdag extra te
rusten terwijl ook niet alle uren dat zij colleges volgt productieve
uren zijn, omdat zij zich niet zo lang kan concentreren. Gedaagde meent
dat zij maar enkele uren per dag kan werken. Voorts heeft zij verzocht
om vergoeding van de kosten van de procedure waaronder begrepen de
kosten van het CIA-onderzoek.
De Raad overweegt als volgt.
Al eerder heeft de Raad overwogen dat in artikel 18 van de WAO en
artikel 2 van de Wajong - voor zover in dit verband van belang - is
bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken,
zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen
hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met
arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient
dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van
arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar
objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan
of mag verrichten.
Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat
in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis
is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk
gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven.
In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als eis dat bij de
medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren
medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde
als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende
arbeid te verrichten.
Uit de door de onafhankelijke en onpartijdige deskundige De Jong, die
gedaagde twee maal heeft gezien, bij zijn onderzoek betrokken medische
informatie blijkt dat gedaagde sinds november 1995 toenemend klachten
van extreme vermoeidheid had, waarvoor geen medisch te objectiveren
oorzaak is gevonden. De kinderarts van het Wilhelmina kinderziekenhuis,
naar wie gedaagde was verwezen, heeft na uitgebreid medisch onderzoek
geen medisch objectieve oorzaak voor de vermoeidheidsklachten gevonden
en uiteindelijk de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom gesteld.
Inmiddels was gedaagde door haar klachten zodanig geïnvalideerd
geraakt, dat zij in een rolstoel zat. Een half jaar klinische
revalidatie in de Trappenberg in de eerste helft van 1997 heeft geleid
tot mobilisatie en aanmerkelijke verbetering van gedaagdes conditie.
Aansluitend is zij poliklinisch gerevalideerd tot in 1998. Sedertdien is
gedaagde vanwege snelle vermoeibaarheid en een blijvend gebrek aan
weerstand tegen infectieziekten beperkt belastbaar gebleven.
De primaire verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek de
diagnose ME gesteld en op grond daarvan fysieke en psychische
beperkingen aangenomen. Voornoemde bezwaarverzekeringsarts heeft in het
kader van de behandeling van het bezwaar, toen zij beschikte over de
informatie van de behandelaars van gedaagde, de door de primaire
verzekeringsarts vastgestelde diagnose en beperkingen bevestigd.
Het vorenvermelde heeft de Raad tot de conclusie gebracht dat bij de
betrokken medici sprake is van een consistente en eensluidende opvatting
wat betreft de diagnose. Voorts zijn de medici die gedaagde in het kader
van de onderhavige procedure hebben gezien het erover eens dat gedaagde
door haar persisterende vermoeidheidsklachten fysieke en psychische
beperkingen heeft. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat ervan moet
worden uitgegaan dat gedaagde wegens chronische vermoeidheidsklachten
beperkt is voor het verrichten van arbeid. In het door voornoemde
bezwaarverzekeringsarts, in haar reactie op het rapport van de Jong en
in een in hoger beroep ingezonden rapportage van 2 december 2002, ingenomen afwijkende standpunt ziet de Raad geen
aanleiding om anders te oordelen.
De enige vraag die thans nog dient te worden beantwoord is of voor
gedaagde ook een arbeidsduurbeperking tot 20 uur per week dient te
worden aangenomen.
De Jong concludeert in zijn rapport dat gedaagde gelet op de overige
problemen voortvloeiende uit haar medische situatie niet in staat was
tot het vervullen van de voor haar geselecteerde functies in een
volledige dagtaak gedurende 40 uur per week. De Jong schrijft:
“Als we serieus op de bij onderzochte gesignaleerde problematiek
ingaan dan kunnen we concluderen dat zij een redelijke modus heeft
gevonden om om te gaan met haar beperkingen. Het lukt haar om haar HBO-studie op letterlijk halve kracht te doen. De conclusie moet dan ook
zijn dat onderzochte in staat moet worden geacht om bovengenoemde
functies gedurende ongeveer 4 uur per dag (20 uur per week, verdeeld
over 5 dagen) te verrichten. Een belangrijke overweging hierbij is dat
dit ook overeenkomt met de resultaten van haar klinische en
poliklinische revalidatie. Onderzochte is in deze periode langdurig door
terzake deskundigen geobserveerd.”
De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding
vorenvermeld standpunt van de deskundige niet te volgen. Anders dan
appellant acht de Raad ook gedaagdes verhaal voldoende consistent. In
dat verband acht de Raad mede van belang dat gedaagde als gevolg van
haar klachten de VWO-opleiding, die zij qua intelligentie goed aankon,
op advies van de Trappenberg heeft afgebroken en is overgestapt naar de
HAVO. Ter zitting is gebleken dat gedaagde de door haar in 1999 gestarte
vierjarige HBO-opleiding ergotherapie met een vertraging van anderhalf
jaar met een diploma verwacht af te sluiten. Bij aanvang van die studie
is voor gedaagde in de school een rustkamertje gecreëerd zodat zij
tussendoor regelmatig kan rusten. Het zelfstandig op kamers wonen heeft
gedaagde na een paar maanden moeten opgeven. Zij is weer bij haar ouders
gaan wonen. Deeltijdwerk in de zomervakantie, in 2000 in de thuiszorg en
in 2001 in een kantine, heeft gedaagde fysiek niet kunnen volhouden. Ter
zitting heeft gedaagde voorts nog verklaard dat zij van de school
toestemming heeft gekregen de derdejaars stage van 40 weken in 80 weken
te doen. Tijdens de stage heeft zij vier uur per dag gewerkt, maar door
efficiënt te werken is zij er in geslaagd de stage toch in 60 weken af
te ronden. Dat gedaagde niettegenstaande het lagere studietempo het
eerste studiejaar in de daarvoor in de studieplanning opgenomen tijd
heeft afgerond, acht de Raad gezien het daaropvolgende verloop van de
studie onvoldoende om aan te nemen dat gedaagde meer belastbaar is dan
De Jong heeft aangegeven. Ook het feit dat gedaagde, net als haar
leeftijdsgenoten, in het weekend wel eens tot 4 uur ’s nachts uitgaat,
geeft de Raad geen aanleiding om anders te oordelen, nu gedaagde dit
maar zo af en toe doet en, anders dan een gezonde jongere van haar
leeftijd, voordien slaapt om het te kunnen volhouden.
Het vorenstaande heeft de Raad tot de conclusie gebracht dat de
rechtbank terecht het oordeel van de deskundige heeft gevolgd. De
aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-
voor verleende rechtsbijstand. Gedaagdes, ook in eerste aanleg gedane
verzoek om vergoeding van de kosten van het door haar in eerste aanleg
ingebrachte CIA-rapport dient buiten beschouwing te blijven, nu de
rechtbank zich daarover niet heeft uitgelaten en gedaagde tegen de
uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep heeft ingesteld, zodat dit
verzoek buiten de omvang van dit geding valt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 409,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.G.J. Olde
Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.
Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 augustus
2004.
(get.) Ch.
van Voorst.
(get.) J. Verrips.
|
|