|
Uitspraak
03/6307
WAJONG, 03/6308 WAJONG, 03/6309 WAJONG en 03/6311 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 18 februari 2003 heeft gedaagde de aanvulling - het
zogeheten “kopje” - die appellant ontving op zijn uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong) met ingang van 1 augustus 1996 beëindigd.
Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, bezwaar
gemaakt tegen het besluit van 18 februari 2003.
Bij besluit van 27 augustus 2003 heeft gedaagde dat bezwaar kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van
3 november 2003, reg.nr. WAJONG 03/1230, 03/1231, 03/1232, 03/1233,
onder meer het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van
27 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 juni 2004, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hopman,
voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. L. Ritsma, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de
Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wajong. Bij besluit van 18
februari 2003 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat de aanvulling
op zijn uitkering, het zogeheten “kopje”, met ingang van 1 augustus
1996 wordt beëindigd. Daartoe heeft gedaagde overwogen dat op basis van
de gegevens in zijn dossier en onderzoek door de opsporingsdienst is
vastgesteld dat hij geen alleenstaande is maar als samenwonend moet
worden beschouwd en dat hij als gevolg daarvan niet voldoet aan de voor
het verstrekken van een aanvulling op de uitkering gestelde voorwaarden.
Bij besluiten van 8 april 2003 heeft gedaagde de onverschuldigd betaalde
uitkering van appellant teruggevorderd en een boete aan appellant
opgelegd. In een brief van 23 juli 2003 heeft de gemachtigde van appellant de gronden uiteengezet
van het tegen de besluiten van 8 april 2003 gemaakte bezwaar. Tevens is
in die brief van 23 juli 2003, met toelichting waarom dat niet eerder is
gebeurd, alsnog ook bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 februari
2003.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde dat bezwaar met toepassing van
artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verontschuldigbare
termijnoverschrijding. Nadat tegen dat besluit beroep was ingesteld, is
tevens aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om
toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb. De
voorzieningenrechter, die aanleiding heeft gevonden om gebruik te maken
van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak,
heeft, met gedaagde van oordeel zijnde dat niet is gebleken van
omstandigheden die de termijnoverschrijding met betrekking tot het maken
van bezwaar verontschuldigen, in de aangevallen uitspraak onder meer het
beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In het namens appellant ingediende hoger beroepschrift is expliciet
aangegeven dat het hoger beroep van appellant zich uitsluitend richt
tegen het onderdeel van de aangevallen uitspraak dat betrekking heeft op
de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit.
In hoger beroep is namens appellant primair de vraag opgeworpen of het
besluit van 18 februari 2003 wel op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, als
bedoeld in artikel 3:41 van de Awb. Appellant is de opvatting toegedaan
dat dit niet het geval is, waartoe naar voren is gebracht dat hij in
verband met zijn eigen visuele handicap alsmede de handicap van mevrouw
Z (hierna: Z) - met wie hij samenwoont op het adres [adres] te
[woonplaats] - ervoor heeft gekozen als postadres het adres van zijn
ouderlijk huis, Vloedlijn 16 te [woonplaats], te blijven hanteren,
en dat gedaagde niettemin het besluit aan eerstgenoemd adres heeft
toegezonden.
De Raad kan appellant in deze opvatting niet volgen. Blijkens het
opsporingsrapport van 16 januari 2003 heeft Z onder meer tegenover
gedaagdes opsporingsfunctionaris verklaard dat zij appellant al vele
jaren kent en in verband met de verschillende handicaps van appellant
zijn post en administratie verzorgt. Voorts heeft zij verklaard dat
appellant per 1 februari 2003 officieel wordt ingeschreven op haar adres
[adres] te [woonplaats]. De Raad is van oordeel dat, gelet op deze
verklaringen, gedaagde ervan mocht uitgaan dat ten tijde van de
verzending van het primaire besluit van 18 februari 2003 [adres] het
juiste postadres van appellant (geworden) was. De enkele omstandigheid
dat, zoals van de zijde van appellant is gesteld, latere besluiten door
gedaagde (toch) weer zijn verzonden aan het hiervoor vermelde adres van
de ouders van appellant, maakt dit niet anders.
Voor het geval appellant in hoger beroep ook nog de ter zitting van de
voorzieningenrechter op 30 oktober 2003 naar voren gebrachte opvatting
zou huldigen dat Z - en daarmee ook hijzelf - het besluit niet heeft
ontvangen, sluit de Raad zich aan bij de overweging van de rechtbank dat
aan die stelling dient te worden voorbijgegaan, nu die stelling eerder
niet naar voren is gebracht, maar appellant zich consequent op het
standpunt heeft gesteld dat de beschikking terzijde is gelegd omdat Z en
hij de relevantie ervan niet juist hebben ingeschat. Overigens acht de
Raad die stelling, mede in het licht van hetgeen overigens van de zijde
van appellant naar voren is gebracht, ook ongeloofwaardig.
De Raad stelt aldus vast dat het besluit van 18 februari 2003 op de
voorgeschreven wijze is bekend gemaakt en dat de bezwaartermijn met
ingang van de dag die op die bekendmaking is gevolgd een aanvang heeft
genomen, als bedoeld in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb. Daarvan
uitgaande, moet worden vastgesteld dat met het namens appellant eerst op
23 juli 2003 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2003 de
wettelijke bezwaartermijn van zes weken, als bedoeld in artikel 6:7 van
de Awb, is overschreden.
Appellant heeft subsidiair aangevoerd, voor het geval geoordeeld zou
moeten worden dat het besluit van 18 februari 2003 wel tijdig is
ontvangen en gelezen, dat in zijn geval redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Appellant is de mening
toegedaan dat hij op juiste gronden heeft kunnen besluiten om het
besluit (in eerste instantie) naast zich neer te leggen. In dit verband
heeft hij erop gewezen dat hij naar aanleiding van het
opsporingsonderzoek een maximum terugvorderingsbedrag van € 1.300, - verwachtte, bij welke terugvordering hij - zij het contre
coeur - had besloten zich neer te leggen. Pas op het moment dat
appellant het terugvorderingsbesluit van 15 april 2003 ontving, waaruit bleek dat het terugvorderingsbedrag
aanzienlijk hoger was, gingen, zoals in het aanvullend beroepschrift is
geformuleerd “alle alarmbellen rinkelen”.
De Raad is van oordeel dat vorenomschreven gang van zaken geen
omstandigheid oplevert die de termijnoverschrijding verschoonbaar doet
zijn. De Raad merkt in dit verband in de eerste plaats op dat in het
besluit van 18 februari 2003 duidelijk is vermeld dat daartegen binnen
zes weken bezwaar dient te worden gemaakt. Voorts overweegt de Raad dat
niet is gebleken dat van de zijde van gedaagde enige in rechte te
honoreren - dat wil zeggen: schriftelijke, eenduidige en
ongeclausuleerde - toezegging aan appellant is gedaan dat de
terugvordering niet meer zou belopen dan € 1.300, -. Het is dan ook
uitsluitend de eigen, voor appellants risico blijvende, keuze van
appellant en Z geweest om in eerste instantie om hen moverende redenen
geen rechtsmiddel aan te wenden tegen het besluit van 18 februari 2003,
en vervolgens pas in actie te komen nadat was gebleken dat het als
gevolg van dat besluit onverschuldigd betaalde en door gedaagde
teruggevorderde bedrag hoger uitviel dan door hen was verwacht.
Terzijde merkt de Raad hierbij overigens nog op dat appellant ook nadien
nog geruime tijd heeft gewacht alvorens in actie te komen, nu het
terugvorderingsbesluit hem immers in de eerste helft van april 2003
heeft bereikt en eerst op 23 juli 2003 bezwaar is gemaakt tegen het
besluit van 18 februari 2003.
Nu ook overigens, op grond van hetgeen namens appellant naar voren is
gebracht dan wel anderszins, niet kan worden geoordeeld dat appellant
redelijkerwijs geen verwijt valt te maken van de overschrijding van de
bezwaartermijn, komt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit,
waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, in rechte stand kan
houden. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3
augustus 2004.
(get.) J.W.
Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|