|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/1494 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 5 april 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidvoorziening jonggehandicapten
(Wajong) toe te kennen, onder overweging dat
appellante op en na 31 maart 1996 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
Bij besluit van 13 februari 2002 heeft gedaagde, na een verzoek van
appellante van die strekking, geweigerd zijn besluit van 5 april 2001 te
herzien.
Appellante heeft bij brief van 20 februari 2002 tegen dit besluit
bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 17 mei 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde zijn standpunt zoals neergelegd in het besluit van 13 februari
2002 gehandhaafd.
De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 5 maart 2003, Wajong
02/577, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 juli 2004, waar
appellante in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is
verschenen mr. J.F.J.A. Jennekens, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 5 april 2001 heeft gedaagde afwijzend beslist op een
aanvraag van appellante om haar met ingang van 31 maart 1996 een
arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Dit besluit is in rechte
onaantastbaar geworden. Op 29 januari 2002 heeft appellante een nieuwe
aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft
gedaagde de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet
tot een andere uitkomst heeft geleid.
De Raad moet thans de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht het
bestreden besluit in stand heeft gelaten.
De Raad overweegt als volgt.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere
afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij
het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het
bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat
daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van
deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de
weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit.
Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de
dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van
rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de
bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke
afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van
nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het
bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het
oorspronkelijke besluit te herzien.
Ter ondersteuning van haar herhaalde aanvraag heeft appellante een
schrijven ingebracht van M.J. Hellevoort, verzekeringsarts van
Uwv-Cadans, die, na een ziekmelding van appellante, haar adviseerde het
Uwv-Gak om een herbeoordeling van het besluit van 5 april 2001 te verzoeken aangezien hij de mening toegedaan was dat er
sprake was van een (gedeeltelijk) recht op een Wajong-uitkering. Voorts
voert appellante aan dat uit haar arbeidsverleden naar voren komt dat ze
vanwege haar lichamelijke klachten herhaaldelijk niet in staat is
gebleken haar werkzaamheden vol te houden, zodat dit het bewijs levert
dat haar belastbaarheid zodanig beperkt is dat een urenbeperking
gerechtvaardigd is. Appellante is verder van mening dat de door het
Klinisch Ecologisch Allergie Centrum (KEAC) uitgevoerde HPU-test
aantoont dat appellante sinds haar geboorte lijdende is aan een
erfelijke stofwisselingsziekte, welke een verklaring en diagnose biedt
voor haar gewrichtsproblemen en vermoeidheidsklachten. Zij staat
hiervoor onder behandeling van een natuurgeneeskundige.
De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat het door
appellante aangevoerde niet leidt tot nieuw gebleken feiten of
veranderde omstandigheden. Uit de verklaring van verzekeringsarts
Hellevoort komt niet naar voren dat zijn standpunt gebaseerd is op enig
medisch onderzoek van appellante met een te objectiveren resultaat.
Eerder is zijn verklaring een weergave van appellantes standpunt dat de
praktijk uitwijst dat appellante (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is.
Voorts waren appellantes herhaaldelijke ziekmeldingen in het verleden
reeds bekend en meegenomen tijdens de medische beoordeling die ten
grondslag lag aan het oorspronkelijke besluit van 5 april 2001. Voor wat
betreft de HPU-test van het KEAC merkt de Raad op dat het hierbij gaat
om een, door een biochemicus ontwikkelde, in de reguliere geneeskunde
niet gangbare onderzoekswijze. De test biedt dan ook geen
aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante op de datum hier in
geding op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in
staat was (gedeeltelijk) arbeid te verrichten. Immers ten aanzien van
voor de toepassing van de Wajong relevante arbeidsbeperkingen geldt dat
die op in de reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze dienen te kunnen
worden vastgesteld.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat naar het oordeel van de Raad niet
kan worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot zijn bestreden
besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in
strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een
algemeen rechtsbeginsel.
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit
terecht in stand heeft gelaten. Daarom komt de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van drs. T.R.H.
van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus
2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|