|
Uitspraak
02/4651
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 27 oktober 2000 heeft gedaagde aan appellant ingaande 27
maart 1995 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend
onder overweging dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om
de uitkering eerder te laten ingaan.
Bij besluit van 6 juni 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2000 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 8 augustus 2002, reg.nr.
SBR 01/1188, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. G.Tj. de Jong, advocaat te Utrecht, op bij
aanvullend beroepschrift vermelde gronden tegen die uitspraak hoger
beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 augustus 2004,
waar voor appellant mr. De Jong, voornoemd, is verschenen en gedaagde,
met voorafgaand schriftelijk bericht, zich niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of gedaagde
terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat er geen aanleiding
bestaat om de uitkering van appellant ingevolge de Wajong eerder te
laten ingaan dan een jaar voor de datum van aanvraag 27 maart 1996.
Gedaagde heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat er geen sprake
is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de
Wajong om de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge deze wet eerder
te laten ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag werd
ingediend. Daaraan heeft gedaagde toegevoegd dat, los van het
vorenstaande, niet is gebleken dat appellant schulden heeft gemaakt om
in zijn onderhoud te voorzien daar hij doorlopend een uitkering van de
gemeentelijke sociale dienst heeft gehad en voortdurend bij zijn ouders
heeft gewoond. In deze laatste overweging ligt kennelijk besloten dat
gedaagde van oordeel is dat het, gelet op de financiële positie van
appellant, niet van bijzondere hardheid getuigt de uitkering niet eerder
te laten ingaan.
De Raad beantwoordt bovenvermelde vraag bevestigend en overweegt daartoe
als volgt.
De Raad zal in het midden laten of er sprake is van een bijzonder geval
als hierboven bedoeld. Immers, waar de gemachtigde van appellant ter
zitting van de Raad uitdrukkelijk heeft verklaard dat toekenning van een
uitkering ingevolge de Wajong aan appellant vóór 27 maart 1995 geen
financiële consequenties heeft en de Raad, gelet op de beschikbare
gegevens, evenmin is gebleken dat het op voormelde datum laten ingaan
van deze uitkering van bijzondere hardheid getuigt, heeft gedaagde, ook
in het geval er sprake zou zijn van een bijzonder geval, terecht en in
overeenstemming met de jurisprudentie van de Raad van de bevoegdheid om
de uitkering eerder dan een jaar voor de datum van aanvraag te laten
ingaan geen gebruik gemaakt.
De door de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad genoemde
omstandigheid dat het wel degelijk van betekenis is, ongeacht het
ontbreken van financiële consequenties, dat door appellant de juiste
uitkering wordt ontvangen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G.
Olde Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van
C.O.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober
2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) C.O.A. Bos.
|
|