|
Uitspraak
02/3324
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel
de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 22 mei 2000 heeft gedaagde geweigerd appellant op diens
aanvraag een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toe te kennen, omdat
appellant vanaf 1 november 1982 niet 52 weken onafgebroken
arbeidsongeschikt is geweest en in elk geval vanaf 1 november 1983
minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
Gedaagde heeft naar aanleiding van het tegen dit besluit door mr. W.H.M.
Ummels, advocaat te Rotterdam, namens appellant gemaakte bezwaar bij
besluit van 30 maart 2001 het besluit van 22 mei 2000 ingetrokken en in
de plaats daarvan beslist dat niet wordt teruggekomen op zijn besluit
van 28 oktober 1992.
De rechtbank Rotterdam heeft het door de gemachtigde van appellant
ingestelde beroep tegen het besluit van 30 maart 2001 (hierna: het
bestreden besluit) bij uitspraak van 26 april 2002, reg.nr. AAW
01/1035-RIP, ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift
aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 augustus 2004,
waarvoor appellant is verschenen zijn gemachtigde en waar namens
gedaagde is verschenen mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de gemachtigde van appellant
desgevraagd door gedaagde bij brief van 17 oktober 2000 heeft aangegeven
dat het verzoek van appellant om toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering dient te worden gezien als een verzoek
om terug te komen op een eerdere weigering van gedaagde een uitkering
toe te kennen. Die eerdere weigering is vervat in het besluit van
gedaagde van 28 oktober 1992 en gecorrigeerd bij zijn besluit van 2
november 1992. Deze gecorrigeerde weigering houdt in dat gedaagde
appellant desgevraagd in verband met zijn naar zijn mening op 7 april
1983 ingetreden arbeidsongeschiktheid geen uitkering ingevolge de
Algemene Arbeidsongeschiktheid (AAW) heeft toegekend omdat appellant op
16 oktober 1992, de datum van het onderzoek, niet arbeidsongeschikt werd
geacht terwijl sedert 7 april 1983 geen periode viel aan te wijzen
waarin appellant 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. De
Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde bij het bestreden besluit het
verzoek van appellant terecht heeft opgevat zoals in de bezwaarprocedure
door de gemachtigde van appellant is aangegeven, met dien verstande
evenwel dat de bij het bestreden besluit uitgesproken weigering om terug
te komen van het eerdere besluit van 28 oktober 1992 tevens betreft de
correctie op dit besluit bij het besluit van gedaagde van 2 november
1992.
Het besluit van 28 oktober/2 november 1992 berust op door de toenmalige
Gemeenschappelijke Medische Dienst verricht verzekeringsgeneeskundig
onderzoek waarvan op 16 oktober 1992 rapport is opgemaakt. Blijkens dit
rapport had de verzekeringsgeneeskundige inzage in het medische dossier
van appellant in de penitentiaire inrichting Norgerhaven en kwam zij tot
de slotsom dat, ondanks de grote druk die de lange gevangenisstraf van
appellant meebrengt, hij zich goed weet staande te houden en dat er dan
ook geen reden is om arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Hangende de
beroepsprocedure ontving gedaagde een op verzoek van de rechtbank Den
Haag omtrent appellant uitgebracht rapport van prof. dr. F.H.L. Beyaert,
destijds geneesheer-directeur van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC)
te Utrecht, van 6 oktober 1983 en van de zenuwarts, prof. dr. M. Zeegers en de
psycholoog drs. H. In ’t Veld van 13 februari 1984. In het rapport van Beyaert
werd niet geconcludeerd tot verminderde toerekeningsvatbaarheid van
appellant, terwijl Zeegers en In ’t Veld daartoe wel concludeerden.
Beide rapporten spreken er over dat appellant zeer gevaarlijk is hetgeen
volgens de verzekeringsgeneeskundige, die op 6 augustus 1993
rapporteerde omtrent deze rapporten, nog niet wil zeggen dat appellant
arbeidsongeschikt is, waarvoor hij wees op de goede werkinstelling van
appellant. Voorts was de belangrijkste reden voor de uitval van
appellant volgens de verzekeringsgeneeskundige, ofschoon sprake was van
een neurotiserende achtergrond, cultureel en crimineel bepaald en dus
niet door ziekte. In het rapport van Beyaert en het rapport van Zeegers
en In ’t Veld werd geen reden gezien voor een gewijzigd advies aan
gedaagde. De rechtbank Assen verklaarde bij uitspraak van 18 februari
1994 het beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag om
een AAW-uitkering ongegrond, welke uitspraak in hoger beroep door de
Raad op 6 maart 1996 werd bevestigd. Op grond van de rapporten van
Beyaert, Zeegers en In ’t Veld ging de Raad er vanuit dat bij
appellant wel sprake is geweest van ziekte of gebreken, maar volgens de
Raad was er onvoldoende grond om aan te nemen dat appellant daardoor van
7 april 1983 tot de datum van het bestreden besluit tenminste 52 weken
achtereen buiten staat is geweest tot het verrichten van arbeid. Volgens
de Raad sloten de door Beyaert, Zeegers en In ’t Veld vermelde
afwijkingen het verrichten van loonvormende arbeid niet uit, terwijl de
Raad voorts van belang achtte dat appellant tijdens zijn detentie
bevredigend arbeid heeft verricht en voorafgaand aan zijn detentie
arbeid in loondienst heeft verricht.
Aan het bij het bestreden besluit nader geduide verzoek van appellant
ligt een tweetal in de bezwaarprocedure overgelegde rapporten ten
grondslag, te weten een rapport van 4 oktober 1996 van Beyaert met het oog op een in te dienen gratieverzoek
van appellant en een rapport van het PBC van 12 augustus 1999 ter
vaststelling van het huidig toestandsbeeld van appellant en een mogelijk
daaruit voortvloeiende gevaarlijkheid voor de toekomst.
De bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer gaf in zijn rapport van 9
februari 2001 aan dat het evengenoemde rapport van Beyaert en dat van
het PBC, dat overigens tot een andere inschatting kwam ten aanzien van
de gevaarlijkheid van appellant dan Beyaert, geen nieuwe medische
gegevens omtrent appellant bevatten en dan ook geen aanleiding geven om
terug te komen op de eerdere weigering van de AAW-uitkering. Bij het
bestreden besluit heeft gedaagde de visie van Lustenhouwer gevolgd en
tevens vastgesteld dat de weigering van de AAW-uitkering niet apert
onjuist is.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, waarbij zij met name
aangaf dat de rapporten van Beyaert en het PBC voornamelijk zien op de
huidige (d.w.z. ten tijde van opstellen van die rapporten) situatie van
appellant en niet op zijn situatie in 1983.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant ter zake geen
wezenlijk nieuwe argumenten ingebracht.
De Raad overweegt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om,
na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te
behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te
heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet
bestuursrecht staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan
met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft,
kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een
oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet
verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het
instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de
bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke
afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van
nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het
bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het
oorspronkelijk besluit te herzien.
Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de in de
bezwaarprocedure overgelegde rapporten van Beyaert en het PBC
betreffende de gezondheidstoestand van appellant in de jaren rond 1983
geen nieuwe medische feiten bevatten. Voorzover uit deze rapporten al
veranderde omstandigheden naar voren komen, zien deze op de situatie van
appellant ten tijde van het opstellen van die rapporten en zijn deze
derhalve niet relevant voor een beoordeling van arbeidsongeschiktheid
van appellant in de periode 1983 tot 1992. Daarvan uitgaande kan naar
het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in
redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel
daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of
ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. De Raad
tekent daarbij nog aan dat, zoals hij inmiddels herhaalde malen heeft
uitgesproken, eventuele aperte onjuistheid van het besluit waarvan is
verzocht om terug te komen, anders dan voorheen en waarvan kennelijk ook
gedaagde en de rechtbank uitgingen, op zichzelf niet langer een
beslissende rol speelt.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. K.J.S. Spaas
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september
2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|