|
Uitspraak
02/4340
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv, dan wel
de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging.
Namens appellante is mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van
een uitspraak van de rechtbank Zwolle van 8 juli 2002, reg.nr. AWB
01/634, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 augustus 2004,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs.
Lamphen, voornoemd, alsmede door haar tweelingzuster M. Fokkens, en waar
namens gedaagde is verschenen mr. M.J. van Steenwijk, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 14 mei 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde zijn primaire besluit van 9 januari 2001, strekkende tot
weigering aan appellante van de door haar verzochte uitkering ingevolge
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten op de grond
dat zij niet als jonggehandicapte kan worden beschouwd, in bezwaar
gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat het primaire besluit
aldus dient te worden opgevat dat daarbij is geweigerd terug te komen
van een eerdere - in rechte onaantastbaar geworden - beslissing van
gedaagde van 17 juli 1992 ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), waarin mede valt te lezen dat
appellante voorafgaande aan 16 april 1976 niet arbeidsongeschikt is
geweest.
In evenvermelde eerdere beslissing van 17 juli 1992 heeft gedaagde
immers het standpunt ingenomen dat appellante op 16 april 1976
arbeidsongeschikt is geworden. Gedaagde heeft dat standpunt gebaseerd op
de bevindingen en conclusies van de in een eerdere procedure inzake een
beslissing van 13 juni 1988 door de voorzitter van de toenmalige Raad
van Beroep te Zwolle als deskundige geraadpleegde zenuwarts S. Pruyt
die, desgevraagd, in een ter aanvulling op zijn oorspronkelijke rapport
van 8 oktober 1990 opgesteld rapport van 29 april 1991 heeft blijk
gegeven van zijn oordeel - zoals de Raad dat in navolging van gedaagde
begrijpt - dat en waarom moet worden aangenomen dat appellante op 16
april 1976, en niet eerder dan die datum, arbeidsongeschikt is geworden.
De haar uit dien hoofde na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52
weken met ingang van 16 april 1977 toegekende uitkering ingevolge de AAW
heeft gedaagde - na een eerdere intrekking per 2 maart 1979, gevolgd
door een heropening per 1 januari 1980 - ingetrokken met ingang van 1
november 1992, op de grond dat appellante niet voldoet aan de zogeheten
inkomenseis.
Het thans bestreden besluit vormt een reactie op een namens appellante
gedaan hernieuwd verzoek van 24 november 1999, waarbij zij (wederom) de
opvatting naar voren heeft gebracht dat zij als een jeugdgehandicapte
dient te worden aangemerkt. Daarbij heeft zij verwezen naar een nieuw
rapport van 29 september 1999 van de zenuwarts Pruyt, waarin deze thans
tot de conclusie komt dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante op
haar 17e jaar voor normaal regulier werk geschikt was en derhalve als
een jeugdgehandicapte moet worden beschouwd.
Voorts heeft zij, in de loop van de bezwaarschriftenprocedure, een
beroep gedaan op een rapport van 10 mei 2001 van de verzekeringsarts
C.A. de Jong, die vorenomschreven nadere zienswijze van Pruyt
onderschrijft.
Op grond van het volgende is de Raad, in navolging van de rechtbank, van
oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
In artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat,
indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe
aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of
veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het
bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel
4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere
afwijzende besluit.
Hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht ter
onderbouwing van haar opvatting dat gedaagde dient terug te komen van de
eerdere beslissing van 17 juli 1992, als hiervoor vermeld, kan niet
worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden
in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het rapport van Pruyt van 29
september 1999 is weliswaar nieuw, maar kan op zichzelf genomen niet
worden beschouwd als een nieuw feit of een veranderde omstandigheid in
vorenomschreven zin. Een dergelijk rapport kan in beginsel wel zodanige
feiten en omstandigheden bevatten, maar dat is hier niet het geval. De
gewijzigde visie van Pruyt is, gelijk ook de rechtbank heeft geoordeeld,
immers niet terug te voeren op nieuw gebleken feiten of omstandigheden,
maar berust uitsluitend op een nadere beschouwing en beoordeling door
die arts van de reeds lang bekende feiten en omstandigheden. Ook ten
aanzien van het hiervoor vermelde rapport van 10 mei 2001 van de
verzekeringsarts De Jong geldt dat dit niets anders bevat dan een nadere
medische visie op, dan wel een nadere interpretatie van, reeds bekende
feiten en omstandigheden.
Gelet op het bovenstaande en mede in aanmerking nemende dat ook
overigens niet is kunnen blijken van nieuwe feiten of veranderde
omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, moet worden
geoordeeld dat gedaagde bevoegd was om met toepassing van het tweede lid
van artikel 4:6 van de Awb, de aanvraag van appellante af te wijzen en
voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar
het besluit van 17 juli 1992. In hetgeen namens appellante is gesteld ziet de Raad geen
grond voor het oordeel dat gedaagde niet in redelijkheid van die
bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. K.J.S. Spaas als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september
2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|