|
Uitspraak
02/4341
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, op bij
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een
uitspraak van de rechtbank Zwolle van 8 juli 2002, reg.nr. AWB 01/1354,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 augustus 2004,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs.
Lamphen, voornoemd, alsmede door haar tweelingzus [naam zus], en waar
namens gedaagde is verschenen mr. M.J. van Steenwijk, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 29 november 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde in bezwaar gehandhaafd zijn primaire besluit van 3 april 2001,
bij welk besluit gedaagde het verzoek van appellante heeft afgewezen om
in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), op de
grond dat zij niet kan worden aangemerkt als een jeugdgehandicapte in de
zin van de wet.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Daarbij heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen in het
licht van de door appellantes behandelaars van het Sinaïcentrum
gestelde diagnose alsmede in het licht van de bevindingen en conclusies
van de psychiater H.R.S. Witte - die appellante op verzoek van gedaagde
heeft onderzocht en daaromtrent verslag heeft uitgebracht bij rapport
van 26 maart 2001- geen aanleiding te zien om de conclusies van
gedaagdes bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de beperkingen van
appellante voor onjuist te houden. De rechtbank heeft in dit verband in
aanmerking genomen dat de klachten die appellante in beroep naar voren
heeft gebracht zowel bij de bezwaarverzekeringsarts als ook bij de
behandelaars van het Sinaïcentrum en psychiater Witte bekend waren en
zijn meegenomen in de conclusies. De rechtbank heeft daaraan nog
toegevoegd dat het te ver voert om de conclusies van zenuwarts S. Pruyt,
geschreven ten behoeve van appellantes tweelingzus [naam zus], onverkort
op appellante van toepassing te achten.
Voorts heeft de rechtbank in haar oordeelsvorming betrokken dat
appellante vanaf ongeveer 1956 tot 1963, derhalve een zevental jaren,
bij drie verschillende lampenkappenateliers werkzaam is geweest en
daarna nog jarenlang diverse andere werkzaamheden heeft verricht. De
rechtbank is tot de slotsom gekomen dat gedaagde terecht en op goede
gronden heeft vastgesteld dat appellante niet als een jeugdgehandicapte
kan worden aangemerkt.
De Raad kan zich volledig vinden in de hiervoor weergegeven overwegingen
van de rechtbank en in het daarop gebaseerde oordeel, en maakt die
overwegingen en dat oordeel tot de zijne. Hetgeen appellante in hoger
beroep heeft doen aanvoeren, hierop neerkomend dat zij staande houdt een
jeugdgehandicapte te zijn, in welke opvatting zij zich gesteund meent
door - reeds in de procedure in eerste aanleg ingebrachte - rapporten
van de verzekeringsarts C.A. de Jong en van de zenuwarts Pruyt, heeft de
Raad niet tot andere beschouwingen en een ander oordeel vermogen te
brengen.
Mede bezien in het licht van het geheel van de omtrent appellante
beschikbare medische gegevens, waarvan de Raad in het bijzonder van
belang acht het hiervoor genoemde rapport van de psychiater Witte van 26
maart 2001 - ten aanzien waarvan de Raad onder verwijzing naar het
verhandelde ter zitting opmerkt geen concrete aanwijzingen te hebben om
mee te kunnen gaan met de opvatting van appellante dat het onderzoek
door die arts als onvoldoende diepgaand dan wel anderszins als
onzorgvuldig moet worden aangemerkt - alsmede in het licht van de
gegevens met betrekking tot het arbeidsverleden van appellante, kan noch
op grond van bedoelde rapporten - voor zover die al geacht kunnen worden
betrekking te hebben op appellante - noch op basis van de overige
omtrent haar beschikbare gegevens worden geconcludeerd dat zij ten tijde
hier van belang op objectief-medische gronden in die mate buiten staat
was aan het reguliere arbeidsproces deel te nemen dat zij uit dien
hoofde als jeugdgehandicapte zou dienen te worden aangemerkt.
Het hoger beroep van appellante faalt. De aangevallen uitspraak komt
voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. K.J.S. Spaas als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september
2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|