|
Uitspraak
02/4516
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 13 juni 2001 heeft gedaagde met ingang van 4 januari
2000, zijnde een jaar voor datum aanvraag, aan appellante een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
80 tot 100%.
Bij besluit van 22 oktober 2001 heeft gedaagde appellantes bezwaar tegen
de in het besluit van 13 juni 2001 gehanteerde ingangsdatum ongegrond
verklaard.
Bij uitspraak van 18 juli 2002, reg.nr. AAW 01/2630, heeft de rechtbank
Rotterdam het beroep van appellante tegen het besluit van 22 oktober
2001 ongegrond verklaard.
Tegen die uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld op de door
haar gemachtigde mr. P. Hanenberg, advocaat te Rotterdam, bij
beroepschrift van 27 augustus 2002 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 15 oktober 2002.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 augustus
2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Hanenberg, voornoemd. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door
mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de feiten en
omstandigheden die blijkens de aangevallen uitspraak door de rechtbank
in aanmerking zijn genomen en die overigens niet door partijen worden
betwist.
In geschil is het antwoord op de vraag of sprake is van een bijzonder
geval in de zin van artikel 25, tweede lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet c.q. artikel 29, tweede lid, van de Wajong.
De rechtbank heeft overwogen dat, hoewel aan appellante kan worden
toegegeven dat eerst volledig zicht op haar in duur beperkte
arbeidsprestatie kon ontstaan op het moment dat zij daadwerkelijk aan
het arbeidsproces deelnam door stages te lopen in het kader van haar
opleiding tot ergotherapeut, het aan appellante, die met haar problemen
al vanaf haar tweede levensjaar te kampen heeft en zich extra heeft
moeten inzetten om haar studie te volgen, niettemin duidelijk moet zijn
geweest dat zij ernstig in haar benutbare mogelijkheden was beperkt.
Appellante heeft in hoger beroep haar in bezwaar en beroep naar voren
gebrachte argumenten herhaald. Zij benadrukt dat zij niet eerder op de
hoogte was of kon zijn van haar arbeidsongeschiktheid dan toen zij als
stagiaire aan het arbeidsproces ging deelnemen.
Gedaagde houdt staande dat het appellante vanaf haar vroege jeugd
duidelijk moet zijn geweest dat zij ernstig beperkt was in haar
benutbare mogelijkheden, waardoor ook haar verdienvermogen beperkt zou
zijn.
De Raad kan zich, gelet op de inhoud van de gedingstukken en gehoord
hetgeen door en namens appellante ter zitting is aangevoerd, volledig
vinden in het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat oordeel
berust.
Het van de zijde van appellante gedane beroep op 's Raads uitspraak van 9 december 1992, RSV 1993/97, treft geen doel. Het gaat om een bij
uitstek casuïstische materie, waarbij het zwaartepunt ligt bij de
waardering van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Zelfs
bij een gering verschil in feiten kan deze waardering al tot
uiteenlopende resultaten voeren.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van J.P.
Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.P. Grauss.
|
|