|
Uitspraak
02/6369
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 27
november 2002, nummer 02/187 WAJONG, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 september 2004,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B. van
Dijk, advocaat en kantoorgenoot van mr. Van Asperen, en waar namens
gedaagde is verschenen mr. S.T. Dieters, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant ontving ten tijde als hier van belang een uitkering ingevolge
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong),
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Op basis van eigen onderzoek en bestudering van het strafdossier van
Justitie heeft de Opsporingsdienst werknemersfraude Regio Noord van GAK
Nederland B.V. in een rapport van 5 december 2000 geconcludeerd dat
appellant in de periode van 1 januari 1999 tot 25 november 1999
werkzaamheden heeft verricht, bestaande uit de invoer, transport van en
handel in vuurwerk. Hiermee heeft hij volgens dat rapport een netto
winst behaald van 362.590,-.
Appellant heeft deze werkzaamheden en inkomsten niet aan gedaagde
gemeld.
De arbeidsdeskundige K. Wienke heeft onder dagtekening 25 april 2001 aan
gedaagde gerapporteerd dat appellant op grond van feitelijke verdiensten
van 34.741,55 per maand afgezet tegen een maatmaninkomen van
3.127,65 per maand over de periode 1 januari 1999 tot 25 november 1999
dient te worden beschouwd als ware hij minder dan 25% arbeidsongeschikt.
Bij besluit van 20 juni 2001 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat
hij onder toepassing van artikel 50 van de Wajong over de periode van 1
januari 1999 tot 25 november 1999 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt
wordt geacht, in verband met inkomsten uit arbeid in deze periode.
Daarom wordt de uitkering over dat tijdvak niet uitbetaald.
Bij besluit van 28 juni 2001 heeft gedaagde een bedrag van f 19.657,43
wegens ten onrechte over de periode van 1 januari 1999 tot 25 november
1999 uitbetaalde uitkering van appellant teruggevorderd.
Tegen beide besluiten is namens appellant bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 22 januari 2002 (verder: het bestreden besluit) heeft
gedaagde de bezwaren van appellant tegen beide besluiten ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van
appellant ongegrond verklaard.
In de aangevallen uitspraak, waarin appellant "eiser" en
gedaagde "verweerder" worden genoemd, heeft de rechtbank het
volgende overwogen:
"Op basis van de stukken stelt de rechtbank vast dat eiser op 4
augustus 2000 is veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf wegens invoer,
transport van en handel in illegaal vuurwerk. De Opsporingsdienst
werknemersfraude van verweerder heeft op basis van eigen onderzoek en op
basis van hetgeen uit het strafrechtelijke onderzoek naar voren is
gekomen geconcludeerd dat eiser hiermee heeft een netto winst heeft
behaald van 362.590,-.
De rechtbank is niet gebleken dat verweerder op onjuiste of
onzorgvuldige wijze tot de conclusie is gekomen dat eiser in de periode
1 januari 1999-25 november 1999 een bedrag van 362.590,- aan
inkomsten uit arbeid heeft genoten. Nu eiser zijn stelling dat dit
bedrag, wat daar al van zij, in ieder geval niet in zijn geheel aan
eiser kan worden toegerekend, op geen enkele wijze aannemelijk heeft
gemaakt, gaat de rechtbank hieraan voorbij.
Uitgaande van het hiervoor genoemde bedrag moet worden geoordeeld dat de
omvang van eisers inkomen over de periode 1 januari 1999 - 25 november
1999 tenminste 100% bedroeg van het inkomen dat eiser verdiend zou
hebben als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Op basis van
zijn inkomsten uit arbeid was eiser dus eigenlijk minder dan 25%
arbeidsongeschikt.
Verweerder heeft derhalve terecht besloten met toepassing van artikel
50, eerste lid onderdeel a van de Wajong de uitkering over genoemde
periode niet betaalbaar te stellen.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn in het onderhavige geval geen
dringende redenen als bedoeld in artikel 55, vierde lid, Wajong
gebleken. Verweerder is derhalve wettelijk verplicht tot terugvordering
van de over de periode 1 januari 1999 tot 25 november 1999
onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering."
In hoger beroep wordt namens appellant aangevoerd dat hij niets te maken
heeft gehad met handel in vuurwerk en daaruit geen inkomsten heeft
gehad. Voorts is aangevoerd dat, indien appellant die inkomsten wel
heeft gehad, die inkomsten niet alleen aan hem maar ook aan anderen met
wie hij samen handelde, moeten worden toegerekend. Voorts is onvoldoende
rekening gehouden met onkosten.
Wat betreft de terugvordering is er wel sprake van dringende redenen nu
appellant in de gevangenis heeft gezeten en daarom niet in staat is
geweest inkomen te verwerven.
Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, is in hoofdzaak
een herhaling van het namens hem in eerste aanleg gestelde en heeft de
Raad geen aanleiding gegeven om anders te oordelen over het bestreden
besluit dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
Ook voor de Raad staat, mede gelet op het vonnis van de rechtbank in de
strafzaak tegen appellant, vast dat appellant inkomsten heeft genoten
uit de handel in vuurwerk in de hiervoor genoemde periode, welke
inkomsten hij niet aan gedaagde heeft opgegeven.
Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, vergelijk de uitspraak van de
Raad van 28 september 1999, gepubliceerd in USZ 1999/312, is een
bestuursorgaan als gedaagde in een geval als het onderhavige, waarin de
uitkeringsgerechtigde verzuimd heeft concrete verifieerbare gegevens
betreffende zijn inkomsten te verstrekken, bevoegd om die inkomsten
schattenderwijs vast te stellen. Wel zal aan die schatting voldoende
onderzoek vooraf moeten gaan en daarbij de nodige zorgvuldigheid moeten
worden betracht teneinde tot een vaststelling te kunnen komen die de
werkelijkheid zoveel mogelijk benadert.
In genoemde uitspraak heeft de Raad ook erop gewezen dat de gevolgen van
het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over de inkomsten van
een betrokkene in de periode in geding geheel binnen de risicosfeer van
de betrokkene vallen.
Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht is
uitgegaan van het winstbedrag dat in het rapport van de opsporingsdienst
is genoemd.
Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat uit het in hoger beroep
overgelegde verhoor van P. Jager niet kan worden afgeleid dat appellant
niets uitstaande heeft gehad met de handel in vuurwerk.
Voorts is in aanmerking genomen dat, ook indien slechts 10% van het
thans in aanmerking genomen bedrag per maand als uitgangspunt zou hebben
gediend bij de bepaling van appellants inkomsten uit arbeid, dit al een
bedrag van 3.474,16 per maand zou hebben opgeleverd. Indien dat
bedrag wordt afgezet tegen een maatmaninkomen van 3.127,65 per maand
over de periode 1 januari 1999 tot 25 november 1999, dient appellant nog
steeds voor minder dan 25% arbeidsongeschikt te worden beschouwd, zoals
gedaagdes gemachtigde ter zitting van de Raad onweersproken heeft
gesteld.
Met deze alleszins royale marge van 90% acht de Raad, in aanmerking
genomen de hiervoor geschetste maatstaf bij het vaststellen van de
inkomsten in een geval als dit, elke argumentatie met betrekking tot in
aanmerking te nemen onkosten of het delen van inkomsten met andere
personen bij het vaststellen van de hoogte van inkomsten van appellant,
bij voorbaat afdoende weerlegd.
Appellants verzwijgen van inkomsten uit arbeid rechtvaardigt naar het
oordeel van de Raad een toepassen van de anticumulatiebepaling van
artikel 50 van de Wajong met terugwerkende kracht.
Wat betreft de gestelde aanwezigheid van dringende redenen als bedoeld
in artikel 55 , vierde lid, van de Wajong merkt de Raad op dat hij met
betrekking tot inhoudelijk gelijkluidende bepalingen in andere
arbeidsongeschiktheidswetten al eerder heeft aangegeven dat zich
dringende redenen voordoen als door de terugvordering onaanvaardbare
sociale of financiλle gevolgen voor de betrokkene optreden. Er moet dan
wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een
afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn.
Daarvan is de Raad in het onderhavige geval niet gebleken. De
omstandigheid dat naar het zeggen van mr. Van Dijk appellant het
wederrechtelijk verkregen voordeel uiteindelijk niet is ontnomen, is in
elk geval niet zo'n uitzonderlijke omstandigheid evenmin als de detentie
dat is.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|