|
Uitspraak
03/2980
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 11 april 2000 heeft gedaagde afwijzend beslist op het
verzoek van appellante om haar in aanmerking te brengen voor een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong), op de grond, dat de mate van haar
arbeidsongeschiktheid per 29 september 1999 minder dan 25% bedraagt.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 18
januari 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 3 juni 2003 (reg.nr.
WAJONG 01/358) het tegen laatstgenoemd besluit (het bestreden besluit)
ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft op door mr. F. Westenberg, advocaat te Hoorn, bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger
beroep ingesteld.
Gedaagde heeft bij schrijven van 23 juli 2003 van verweer gediend.
Bij brief van 19 augustus 2003 heeft appellante een rapport van 20 juli
2003 van de internist-infectioloog-epidemioloog dr. F.P.L. van Loon doen
inzenden, waarop gedaagde bij brief van 2 september 2003 heeft
gereageerd.
Bij brief van eveneens 2 september 2004 zijn van de zijde van appellante
nog enige haar gezondheidstoestand betreffende stukken ingezonden,
waaronder een brief van 25 juni 2004 van de neuroloog A.M. Beun en een
rapport van 12 juli 2004 van de psycholoog/psychotherapeut drs. M.C.
Siffels, beiden verbonden aan SEIN, Stichting Epilepsie Instellingen
Nederland te Heemstede.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 24 september 2004, waar partijen, appellante met
kennisgeving, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante heeft zich op 10 november 1999 tot gedaagde gewend met het
verzoek haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen vanwege
bij haar sedert 10 oktober 1998 bestaande arbeidsongeschiktheid. Naar
aanleiding hiervan is appellante op verzoek van de verzekeringsarts G.J.
Wiepjes onderzocht door de klinisch psycholoog W. van der Wal, werkzaam
bij Psychologisch, Psychiatrisch en Neurologisch Adviesbureau Kemperman.
Met inachtneming van de bevindingen uit dit onderzoek, als neergelegd in
het daaromtrent opgemaakte rapport van 11 februari 2000, heeft de
verzekeringsarts bij rapport van 21 februari 2000 appellante vanwege
haar psychische klachten beperkt geacht voor werken onder stresserende
omstandigheden en tijdsdruk. De arbeidsdeskundige A. van Hardeveld is
bij rapport van 6 april 2000 tot de conclusie gekomen dat appellante met
de door de verzekeringsarts gestelde beperkingen in staat moet worden
geacht gedurende 38 uur per week de werkzaamheden te verrichten behorend
bij zeven voor haar geschikte functies en daarmee een zodanig loon te
verwerven dat geen verlies aan verdiencapaciteit bestaat. Mogelijke
overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante in een tweetal
functies zijn door de verzekeringsarts Wiepjes bij rapport van 17 juli
2000 besproken. Deze staan volgens deze verzekeringsarts aan het
verrichten van de bij die functies behorende werkzaamheden niet in de
weg.
In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts J.A. Bos-Zijlstra op
basis van het verhandelde op de hoorzitting van 12 december 2000 en na
dossieronderzoek zich op het standpunt gesteld dat de verzekeringsarts
lege artis conform de geldende standaarden en richtlijnen onderzoek
heeft verricht en dat dit heeft geleid tot een correcte inschatting van
de belastbaarheid van appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft de
voor appellante geselecteerde functies als passend aangemerkt. Daarop is
het bestreden besluit genomen.
In beroep heeft appellante onder overlegging van medische gegevens
aangevoerd dat zij in het geheel niet tot arbeid in loondienst in staat
is, omdat in haar geval geen sprake is van voor arbeid benutbare
mogelijkheden.
De rechtbank heeft voor haar oordeelsvorming doorslaggevende betekenis
toegekend aan het op haar verzoek door de huisartsgeneeskundige dr. H.J.
van Aalderen als deskundige uitgebrachte rapport van 21 oktober 2002.
Deze is tot de conclusie gekomen dat appellante aan een
ongedifferentieerde somatoforme stoornis lijdt, dat hij zich kan
verenigen met het voor appellante geldende belastbaarheidspatroon en dat
de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zowel wat betreft de
belasting als de arbeidsduur voor haar geschikt zijn. De rechtbank heeft
geen aanleiding gevonden, mede gelet op de overige gedingstukken, om aan
de conclusies van de deskundige Van Aalderen te twijfelen en om aan te
nemen dat appellante in het geheel niet kan werken. Ten slotte heeft de
rechtbank als haar oordeel gegeven dat het besluit rust op zowel een
juiste medische als een juiste arbeidskundige grondslag.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat bij haar sprake is van
extreem gewichtsverlies en een daarmee samenhangend onvermogen tot
adequaat functioneren in de maatschappij. Dat er voor dit
gewichtsverlies als uiting van of gevolg van ziekte geen duidelijke
oorzaak valt te geven is niet doorslaggevend, nu de deskundige Van
Aalderen deze klachten ernstig en reλel acht.
Dienaangaande overweegt de Raad dat het lage gewicht van appellante bij
de verzekeringsartsen bekend was, dat de bezwaarverzekeringsarts aan dit
aspect, naar uit het verslag van de hoorzitting valt te ontlenen,
bijzondere aandacht heeft gegeven, dat daarin geen aanleiding is gezien
appellante niet in staat te achten om in voor haar overigens geschikte
arbeid 38 uur per week te werken en dat de deskundige Van Aalderen, die
blijkens zijn rapport met het zeer lage gewicht van appellante bekend
was, daarin evenmin een belemmering heeft gezien voor een werkweek van
38 uur.
In de in hoger beroep van de zijde van appellante ingezonden medische
gegevens ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat
bij het bestreden besluit de medische beperkingen van appellante zijn
onderschat. Aan de brief van 20 juli 2003 van de behandelend specialist
Van Loon valt te ontlenen dat hij van oordeel is dat voor de bij
appellante bestaande klachten verschillende oorzaken dienen te worden
overwogen, maar niet dat appellante, althans ten tijde hier in geding,
in het geheel niet tot werken in staat was, dan wel minder belastbaar
was dan is aangenomen.
De Raad overweegt met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde
gegevens van de neuroloog Beun en de psycholoog Siffels dat deze
betrekking hebben op de bij appellante sinds augustus 2003 voorkomende
epilepsieaanvallen. Nu het in dit geding gaat om de gezondheidstoestand
van appellante per 29 september 1999, kan aan deze gegevens niet die
betekenis worden toegekend die appellante daaraan gehecht wil zien.
Hetzelfde geldt voor de medische gegevens van logopedische en
longkundige aard uit 1995. Deze dateren van ruim voor de datum in
geding, maar hebben appellante indertijd geen aanleiding gegeven zich
bij gedaagde te melden vanwege een daardoor bestaande
arbeidsongeschiktheid. Daarenboven is uit het rapport van 21 februari
2000 van de verzekeringsarts Wiepjes af te leiden dat deze met die
klachten bekend was en daarmee rekening heeft gehouden.
Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot het oordeel dat het bestreden
besluit standhoudt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van
M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 november
2004.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|