|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/2232 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 13 september 2000 heeft gedaagde aan appellante met
ingang van 26 augustus 1998 een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 30
januari 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 8 maart 2002 (reg.nr.
AWB 2001/288 WAJONG Z) het tegen laatstgenoemd besluit (het bestreden
besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. L. Bovenkamp, verbonden aan het Bureau
Rechtshulp Maastricht, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht
de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog
gegrond te verklaren met veroordeling van gedaagde in de proceskosten in
beroep en in hoger beroep en tot betaling van een bedrag gelijk aan de
wettelijke rente over de aan appellante toekomende bruto-uitkering.
Gedaagde heeft bij schrijven van 23 mei 2002 (met bijlage) van verweer
gediend.
Bij brief van 1 juli 2002 (met bijlage) heeft appellante de
beroepsgronden nader doen aanvullen, waarop gedaagde bij brief van 4
juli 2002 (met bijlage) heeft gereageerd.
Door de Raad desverzocht heeft gedaagde bij brief van 26 juli 2004 (met
bijlagen) nog enige inlichtingen verstrekt.
Appellante heeft bij brief van 21 september 2004 (met bijlage) nog een
verdere aanvulling op de beroepsgronden gegeven.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 oktober
2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Bovenkamp, voornoemd, als haar raadsman en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden alsmede de wijze waarop de besluitvorming van
gedaagde zich heeft voltrokken verwijst de Raad naar rubriek II van de
aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met vermelding van het
volgende.
Appellante, geboren [in] 1978, is vanaf 1 februari 1998 als assistente
kinderopvang in dienst van de [naam Stichting], gevestigd te
[vestigingsplaats], werkzaam geweest. Op 26 augustus 1999 heeft
appellante deze werkzaamheden wegens ziekte gestaakt. Bij het bestreden
besluit heeft gedaagde het standpunt gehandhaafd dat appellante al voor
en op het 17de levensjaar medische beperkingen had en dat zij met ingang
van 7 oktober 1996, de datum dat zij 18 jaar werd, arbeidsongeschikt
was naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Onder
toepassing van het bepaalde in
artikel 29, tweede lid, van de Wajong, dat regelt dat in beginsel een
uitkering niet eerder ingaat dan een jaar voor de datum van aanvraag,
heeft gedaagde uitkering op grond van die wet aan appellante met ingang
van 26 augustus 1998 toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij gaat de Raad ervan uit
dat gedaagde met betrekking tot de periode voor 1 januari 1998, de datum
waarop de Wajong in werking trad, toepassing heeft beogen te geven aan
de desbetreffende bepalingen van de toentertijd van kracht zijnde
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Gedaagde heeft de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante in verband met haar
inkomsten uit arbeid als assistente kinderopvang met toepassing van
artikel 50 van de Wajong verrekend.
Het bestreden besluit steunt in het bijzonder op het rapport van 6
december 2000 van de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker. Deze is tot de
conclusie gekomen dat appellante per 7 oktober 1996 op grond van haar
medische beperkingen in staat moest worden geacht tot het verrichten van
32 uur per week lichamelijk licht werk met een maximum van 8 uur per
dag, zonder overwerk en met vermijding van vroege diensten. De
bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom is bij rapport van 16 januari
2001, na overleg met de bezwaarverzekeringsarts Jonker, tot de conclusie
gekomen dat er niet voldoende, namelijk slechts twee, geschikte functies
met behulp van het Functie-Informatie-Systeem (FIS) waren te vinden en
dat appellante derhalve 80 tot 100% arbeidsongeschikt was te achten.
Appellante heeft in beroep aangevoerd dat zij ten tijde hier in geding
niet arbeidsongeschikt was, nu zij voor haar uitval op 26 augustus 1999, afgezien van twee korte ziekenhuisopnames, zonder
lichamelijke klachten 32 uur per week als assistente kinderopvang heeft
gewerkt en, in verband met onderbezetting, zelfs gemiddeld 4 uur per
week meer dan was overeengekomen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven
dat de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit,
gelet op de nadere in beroep gegeven toelichting door gedaagde, niet
onjuist is te achten.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het op 6 december 2000
opgestelde belastbaarheidspatroon onvoldoende zorgvuldig tot stand is
gekomen, omdat daarbij van sterk verouderde informatie van de
behandelende artsen is uitgegaan en recente inlichtingen door de
bezwaarverzekeringsarts niet zijn opgevraagd. Voorts is naar aanleiding
van de door de Raad in hoger beroep van gedaagde ontvangen inlichtingen
van arbeidskundige aard aangevoerd dat bij het bestreden besluit is
uitgegaan van in het FIS opgenomen functies die bestonden op 12 januari
2001 en dat de omstandigheid dat die functies niet bestonden op 7
oktober 1996 niet betekent dat er geen functies op 7 oktober 1996 in het
FIS waren opgenomen. Het is immers mogelijk dat er functies zijn geweest
op 7 oktober 1996 die nadien en wel voor 12 januari 2001 al uit het FIS
waren verwijderd.
De Raad stelt vast dat de aanvraag van 1 juni 2000 van appellante om een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, naar aan de gedingstukken valt te
ontlenen, is ingegeven door de omstandigheid dat zij haar werk op 26
augustus 1999 had gestaakt en dat die aanvraag niet gericht was op het
verkrijgen van die uitkering in verband met op een eerdere datum
bestaande arbeidsongeschiktheid. De Raad treedt in dit geding niet in de
ter zitting opgeworpen vraag of gedaagde bij het bestreden besluit bij
het licht hiervan terecht de gezondheidssituatie van appellante per 7
oktober 1996 heeft beoordeeld, noch ook in de vraag of per die datum de
medische beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld, nu het
bestreden besluit, naar uit het hierna overwogene volgt, al geen
standhoudt vanwege een ontoereikende arbeidskundige grondslag van de
arbeidsongeschiktheidsschatting per voormelde datum.
Ter zitting heeft gedaagde, na overleg met de bezwaararbeidsdeskundige,
desgevraagd gesteld dat het bij gebruikmaking van het FIS niet mogelijk
was om de per een datum in het verleden geldende medische beperkingen
van een verzekerde in het systeem in te voeren en met inachtneming
daarvan de per die datum aanwezige en geschikte functies te selecteren.
Wel bestond de mogelijkheid om de medische beperkingen van een
verzekerde in te voeren en van de daarmee geselecteerde functies na te
gaan of die op de te beoordelen datum al bestonden en qua belasting en
ook overigens als geschikt vielen aan te merken. Niet uit te sluiten
valt volgens gedaagde dat er ten tijde hier in geding voor appellante in
het FIS een voldoende aantal geschikte functies waren opgenomen die
nadien, en wel voor de datum van onderzoek van de arbeidsdeskundige, al
waren komen te vervallen en waarmee derhalve geen rekening kon worden
houden. Of dit in casu het geval was kan niet worden nagegaan.
De Raad overweegt dienaangaande dat de hier beschreven werking van het
FIS niet op bezwaren hoeft te stuiten bij de herziening of intrekking
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering per een toekomstige datum, maar
dat dit bij een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per
een datum in het verleden anders kan liggen, bij voorbeeld in een geval
als het onderhavige waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid wordt
gegrond op het ontbreken van voldoende met behulp van het FIS
geselecteerde functies en de verzekerde zich tegen die vaststelling van
de op die aanname gebaseerde arbeidsongeschiktheid keert. In dat geval
is het niet aanvaardbaar om arbeidsongeschiktheid aan te nemen
uitsluitend op basis van de uitkomst van vorenomschreven (onvolkomen)
werkwijze van het FIS, zoals in dit geval is geschied.
Ook anderszins is de Raad niet kunnen blijken dat de stelling van
gedaagde dat ten tijde hier in geding in het FIS niet voldoende voor
appellante geschikt geachte functies waren opgenomen, voor juist moet
worden gehouden.
De bij het bestreden besluit per 7 oktober 1996 gehandhaafde indeling
van appellante in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% steunt
derhalve op een onvoldoende arbeidskundige grondslag.
Mitsdien komt het bestreden besluit met de aangevallen uitspraak waarbij
dit in stand is gelaten voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde dient
een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Ten aanzien van de door appellante gevorderde schadevergoeding in de
vorm van wettelijke rente overweegt de Raad dat deze niet voor
toewijzing in aanmerking komt, omdat deze verschuldigd is in het geval
van niet tijdig betaalde uitkering en appellante zich in haar beroep
zich juist heeft gekeerd tegen toekenning van uitkering in het door het
bestreden besluit bestreken tijdvak.
Strikt genomen ten overvloede merkt de Raad nog op hij ervan uitgaat dat
gedaagde naast het nieuwe besluit op bezwaar met betrekking tot mogelijk
aan de Wajong te ontlenen aanspraken tevens een besluit neemt of de door
appellante gedane aanvraag van 1 juni 2000 dient te leiden tot
toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde recht van € 109,23,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van J.E.
Meijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2004.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E. Meijer.
|
|