|
Uitspraak
03/1618
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
19 februari 2003, nummer Awb 02/429 WAJONG V02, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 november 2004,
waar namens appellante is verschenen mr. Van der Veen en waar namens
gedaagde is verschenen W.R. Bos, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren op 7 oktober 1979, heeft in verband met door haar
ondervonden gezondheidsklachten, waarvan met name vermoeidheid, haar
studie psychologie gestaakt. Zij heeft op 24 april 2001 een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd en daarbij aangegeven vanaf 6 april 1999
arbeidsongeschikt te zijn.
Appellante is op 22 mei en 17 juni 2001 in verband met deze aanvraag
door de verzekeringsarts N. Erkamp onderzocht. Uit het daarvan
opgemaakte rapport blijkt dat hij een uitvoerige anamnese heeft
afgenomen en zelf onderzoek heeft gedaan.
Volgens zijn rapport van 22 mei 2001 heeft de verzekeringsarts Erkamp
geen lichamelijke of psychische afwijkingen bij appellante kunnen
constateren. Het viel hem wel op dat appellante haar onvermogen tijdens
het onderzoek etaleerde. Verder was er volgens hem sprake van een wat
afhankelijke persoonlijkheid en was ziektewinst niet uit te sluiten.
Erkamp besloot zijn oordeel over de belastbaarheid op te schorten tot
hij nadere informatie van de huisarts had verkregen.
Deze informatie is onder dagtekening 31 mei 2001 aan Erkamp verstrekt.
Uitvoerig internistisch onderzoek had geen afwijkingen aan het licht
gebracht. Begeleiding door een psycholoog en fysiotherapeuten had niets
opgeleverd. De huisarts had appellante gesuggereerd mogelijke
onderliggende problemen nog eens aan de studentenpsycholoog voor te
leggen maar appellante was, naar het zeggen van de huisarts, de
alternatieve kant opgegaan waarop hij geen zicht had.
Uit zijn tweede rapport van 17 juli 2001 blijkt dat de verzekeringsarts
Erkamp na de informatie van de huisarts en een tweede gesprek met
appellante tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van op
ziekte of gebrek berustende beperkingen zodat er van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong geen sprake is.
Bij besluit van 19 juli 2001 heeft gedaagde appellante een uitkering
ingevolge de Wajong geweigerd omdat er bij appellante geen
objectiveerbare beperkingen bestaan welke een rechtstreeks gevolg zijn
van ziekte of gebrek. Gedaagde neemt daarom het standpunt in dat
appellante vanaf 6 april 1999 niet gedurende 52 weken onafgebroken
arbeidsongeschikt in de zin van de Wajong is geweest.
In het kader van de bezwarenprocedure is appellante gehoord in het
bijzijn van de bezwaarverzekeringsarts S.J. Hoitinga, die vervolgens
informatie heeft gevraagd en verkregen van de psychomotore therapeut M.
Start.
Ook Hoitinga komt in zijn rapportage tot de conclusie dat er geen sprake
is van op ziekte of gebrek berustende beperkingen.
Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 2 april 2002: verder het
bestreden besluit, het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft blijkens de aangevallen uitspraak geoordeeld dat niet
is gebleken dat bij appellante in de in geding zijnde periode sprake is
van tot objectiveerbare gronden te herleiden medische beperkingen voor
het verrichten van arbeid, zodat appellante in het tijdvak in geding
niet arbeidsongeschikt is geworden.
In hoger beroep is namens appellante de juistheid van dit oordeel van de
rechtbank bestreden. Daarbij zijn van de kant van appellante geen nadere
medische gegevens overgelegd.
De Raad overweegt als volgt.
Al eerder heeft de Raad overwogen dat arbeidsongeschikt in de zin van,
onder meer, de Wajong is degene die als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of
bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde
personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk
verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus
uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als
een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de
in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.
Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat in het onderhavige
geval niet blijkt van naar objectieve maatstaf te meten op ziekte of
gebrek berustende beperkingen. Aldus is er van arbeidsongeschiktheid in
de zin van de Wajong geen sprake.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de
Raad dat een beroep op de werkinstructies aan de verzekeringsartsen die
ten behoeve van een zorgvuldige medische feitenvaststelling zijn
gegeven, niet betekent dat de rechter aan die werkinstructies bij zijn
feitenvaststelling gebonden zou zijn. De Raad verwijst in verband
hiermee naar zijn uitspraak van 13 oktober 2004, LJN AR4192,
gepubliceerd in USZ 2004/352.
Voorts merkt de Raad op dat uit de genoemde rapportages niet blijkt dat
de verzekeringsartsen die instructies niet zouden hebben nageleefd.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari
2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|