|
Uitspraak
02/2880
WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 25 januari 1999 heeft gedaagde de uitkering van
appellante ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong), welke laatstelijk werd berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 23 maart
1999 herzien en nader vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid
van 45 tot 55%.
Bij besluit van 22 juni 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 16 april 2002
(registratienummer AWB 99/7203 Wajong) het beroep tegen het bestreden
besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 10 juli 2002
aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft bij wijze van verweerschrift een reactie van de
bezwaarverzekeringsarts en een reactie van de bezwaararbeidsdeskundige
ingediend.
Namens appellante is op 30 oktober 2003 een medische verklaring,
gedateerd 11 februari 2003, van prof. dr. B.A.C. Dijkmans, reumatoloog,
ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 november
2003, waar appellante is verschenen in tegenwoordigheid van haar
gemachtigde, mr. S.C. Ozinga, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als
zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.
In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van 22
juni 1999 in rechte stand kan houden. Dit besluit is gebaseerd op het
standpunt dat bij appellante op 23 maart 1999, de in geding zijnde
datum, weliswaar beperkingen aanwezig waren ten aanzien van het
verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen
geschikt was voor het verrichten van werkzaamheden verbonden aan de door
de arbeidsdeskundige geselecteerde functies gedurende 20 uur per week.
Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de
hoogste lonen met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert
volgens gedaagde in een verlies aan verdiencapaciteit van 45 tot 55%.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en
overweegt daartoe het volgende.
In hoger beroep is aangevoerd dat de rechtbank haar uitspraak ten
onrechte heeft gebaseerd op het medisch oordeel van de door haar als
deskundige ingeschakelde reumatoloog dr. G.H.C. Schardijn.
Laatstgenoemde zou de daadwerkelijke medische beperkingen van appellante
in de periode rond de datum in geding hebben onderschat, mede omdat hij
onvoldoende bekend zou zijn met de aandoening systemische lupus
erythematodes (SLE), waaraan appellante lijdt, waardoor zijn rapportage
als onzorgvuldig zou moeten worden beschouwd. Tevens zou zijn
beantwoording van de door de rechtbank gestelde vragen in het rapport
onvoldoende gemotiveerd zijn. Appellante bestrijdt het vastgestelde
belastbaarheidspatroon. Zij is van mening dat de rechtbank ten onrechte
de opinie van haar huisarts A.C.H. van Rijn en die van haar
fysiotherapeut E.W.J. Bogaard niet heeft meegewogen in haar oordeel.
Voorts verzoekt appellante de Raad om een in de ziekte SLE
gespecialiseerde reumatoloog als deskundige te benoemen, waarbij zij
prof. dr. B.A.C. Dijkmans aanwijst als bij uitstek geschikte deskundige.
Wat betreft de voorgehouden functies is aangevoerd dat vijf van de zes
functies niet als passend zijn aan te merken aangezien appellante niet
in staat is deze functies te vervullen en bovendien de overschrijdingen
van de vastgestelde belastbaarheid onvoldoende gemotiveerd zijn
weerlegd. Wat betreft de functie van medisch secretaresse is daarnaast
nog aangevoerd dat deze functie bovendien niet passend is, omdat
appellante het voor deze functie vereiste MEAO-diploma en/of diploma van
medisch secretaresse niet bezit.
De Raad ziet in de voorhanden zijnde medische gegevens voldoende steun
voor het oordeel dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak
appellantes medische beperkingen tot het verrichten van arbeid op de
datum in geding niet heeft onderschat en hij stelt zich achter hetgeen
de rechtbank in dit verband heeft overwogen, waarbij hij op het volgende
wijst.
In s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat het oordeel van een
onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in
beginsel dient te worden gevolgd. Er doen zich in casu geen bijzondere
omstandigheden voor die een uitzondering op deze hoofdregel
rechtvaardigen. Met name is de Raad niet gebleken van enige
onzorgvuldigheid aan de kant van Schardijn. Laatst genoemde heeft
overleg gepleegd met twee collegas, te weten appellantes behandelend
reumatoloog D.M. Hofman en de reumatoloog A.C. van Vugt, alvorens het
rapport op te maken. Van gebreken in de motivering van het medisch
oordeel van Schardijn is de Raad evenmin gebleken. De Raad ziet dan ook
geen aanleiding om het medisch oordeel van Schardijn niet te volgen.
Namens appellante is de Raad verzocht om prof. dr. Dijkmans, voornoemd,
als deskundige op het gebied van SLE, als onafhankelijk deskundige te
benoemen. Nu appellante in hoger beroep Dijkmans reeds op eigen
initiatief heeft geconsulteerd is benoeming van deze arts als
onafhankelijk deskundige op voorhand reeds onmogelijk geworden. De in
hoger beroep overgelegde medische verklaring van Dijkmans roept bij de
Raad geen twijfel op ten aanzien van het oordeel van Schardijn. De Raad
ziet gelet op het bovenstaande geen aanleiding tot benoeming van een
onafhankelijk deskundige die is gespecialiseerd op het gebied van SLE.
Door de arbeidsdeskundige zijn zes functies geselecteerd: acceptant
schadeverzekering, commercieel medewerker verkoop binnendienst,
gegevensbewerker CBS, telefoniste/receptioniste zorgverzekeraar,
secretaresse verpleegafdeling en medisch secretaresse. De Raad is van
oordeel dat, gelet op de toelichting van de verzekeringsarts J.W. Troost
in de verwoording functiebelasting van de functies, welke toelichting
blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige van 21 januari 1999 na
overleg met laatstgenoemde tot stand gekomen is, voldoende aannemelijk
is geworden dat de belasting in de bovengenoemde functies de ten aanzien
van appellante vastgestelde belastbaarheid niet overschrijdt. Bovendien
is dit oordeel bevestigd door Schardijn. Voorts is nog aangevoerd dat
appellante niet kan voldoen aan de voor de functie van medisch
secretaresse gestelde diploma-eis aangezien zij niet beschikt over een
MEAO-diploma noch over het diploma medisch secretaresse. Deze grief
treft doel. Echter, er resteren vier passende functies die voldoende
arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Vergelijking van de mediane
loonwaarde van de drie functies daarvan met de hoogste lonen met het
voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan
verdiencapaciteit van 45 tot 55%.
Gelet op het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen, zodat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J. Doornewaard
en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.
|
|