|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/2440 Wajong
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 11 december 2001 heeft gedaagde de uitkering van
appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong), welke laatstelijk werd berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 8
februari 2002 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellants
arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25% was.
Namens appellant heeft mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem, tegen dit
besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 28 maart 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 4 april 2003, reg. nr. Awb
02-689 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 januari 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Janszen,
voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. J.B. van der Horst,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 8
februari 2002, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen
ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellant met
inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden
verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit van 28 maart 2002 in rechte
stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en
stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gewezen op de in het
dossier aanwezige medische gegevens, waarin de rechtbank voldoende
aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat door gedaagde ten
aanzien van appellant een juist medisch oordeel ten aanzien van het
verrichten van arbeid is aangenomen.
De van de zijde van appellant in bezwaar en beroep, en thans wederom in
hoger beroep, aangevoerde grieven betreffen uitsluitend de medische
grondslag van het bestreden besluit. Appellant is de mening toegedaan
dat met name zijn psychische beperkingen door gedaagde zijn onderschat.
Deze beperkingen, alsmede het feit dat appellant lange tijd, vanaf 1986,
onafgebroken voor zijn inkomen afhankelijk is geweest van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering, had gedaagde, naar de gemachtigde van
appellant ter zitting heeft toegelicht, ertoe moeten brengen niet alleen
door de eigen (bezwaar)verzekeringsartsen onderzoek te laten verrichten
naar het bestaan van ziekten en gebreken bij appellant, maar had moeten
leiden tot een onafhankelijke psychiatrische expertise naar de door
appellant geclaimde psychische klachten.
Evenals de rechtbank heeft de Raad in de in dit geding beschikbare
medische en andere gegevens geen aanknopingspunten gevonden te twijfelen
aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde
medische oordeel. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat in de
verklaring van appellants huisarts Th. C.M. Beijerinck-Tensen van 18
november 2001 geen melding gemaakt wordt van het bestaan van psychische
klachten bij appellant. Ook de verklaring van neuroloog A.C Broekers
bevat geen aanwijzingen voor het oordeel dat appellant in
objectief-medische zin op de hier in geding zijnde datum ernstiger
beperkt is te achten dan de beperkingen die reeds door gedaagdes
verzekeringsartsen in aanmerking zijn genomen. Voor het oordeel dat
appellant op medische gronden niet in staat is tot het verrichten van
enige loonvormende arbeid, ziet de Raad derhalve in de gedingstukken
geen aanknopingspunt. De duur van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
speelt op zich geen rol bij bepaling van de mate van
arbeidsongeschiktheid.
Op grond van het bovenstaande moet worden vastgesteld dat appellants
medische beperkingen niet zijn onderschat. Uitgaande van de juistheid
van de vastgestelde belastbaarheid bestaat evenmin grond om ervan uit te
gaan dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch
opzicht niet geschikt zouden zijn.
Nu, ten slotte, in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het
bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor als voorzitter in tegenwoordigheid
van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 15 februari 2005.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|