|
Uitspraak
03/2400 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 23 juni 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellante in
verband met de door haar gestelde op 1 juni 1998 ingetreden
arbeidsongeschiktheid met ingang van 30 mei 1999 een uitkering ingevolge
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe
te kennen omdat appellante vanaf 1 juni 1998 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit namens appellante gemaakte bezwaar
bij besluit van 8 juli 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft het door mr. Th.H. van Roy, advocaat
te Leiden, ingestelde beroep tegen het besluit van 8 juli 2002 (hierna:
het bestreden besluit) bij uitspraak van 1 april 2003, reg.nr. AWB
02/3007 WAJONG, ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift
aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft van verweer gediend.
De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 10 januari 2005 twee
nadere stukken ingediend en mededeling gedaan van het voorbrengen ter
zitting als getuigen van [getuige 1] te [woonplaats] en [getuige 2] te
[woonplaats 2].
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 januari 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde,
en waar namens gedaagde is verschenen mr. M. Smit, werkzaam bij het Uwv.
Als getuigen zijn gehoord [getuige 1] en [getuige 2] voornoemd.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de
rechtbank van 15 april 2002, waarbij het beroep van appellante tegen het
besluit van gedaagde van 13 oktober (lees: 7 november) 2000 - eveneens
genomen op het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit van 23
juni 2000 - gegrond is verklaard, het besluit van 7 november 2000 is
vernietigd en gedaagde is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te
nemen.
Bij het besluit van 7 november 2000 heeft gedaagde de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag - in navolging van het rapport van de
bezwaarverzekeringsarts L.Th. Schonagen van 19 oktober 2000 -
vastgesteld te zijn gelegen voor de 18e verjaardag van appellante en
vervolgens het bezwaar ongegrond verklaard omdat het
arbeidsongeschiktheids-percentage in ieder geval lager blijft dan 25%.
Dit laatste berustte blijkens dit besluit op een berekening door
gedaagde van het verlies aan verdienvermogen van appellante op haar 18e
verjaardag, waarbij gedaagde uitging van het wettelijk minimumloon als
maatmaninkomen van appellante op dat tijdstip en van de in het rapport
van de arbeidsdeskundige A. Schras van 23 juni 2000 geduide functies.
In het besluit van 7 november 2000 had gedaagde voorts aangegeven dat
het maatmaninkomen van appellante vanaf het moment van haar afstuderen
was gewijzigd naar 1,5 maal het minimumloon, dat de geduide functies nog
steeds passend zijn en dat appellante tevens in staat werd geacht haar
eigen werk voltijds te verrichten.
In het rapport van Schonagen, waarin ook uitvoerig het in de primaire
fase van de besluitvorming verrichte onderzoek door de verzekeringsarts
T.E. Jacobs-van der Spek is weergegeven, werd als diagnose gesteld een
ongedifferentieerde somatoforme stoornis en een sociale fobie. Bij
afwezigheid van somatische afwijkingen ontwikkelde appellante, aldus
Schonagen, mede op basis van een al ruim voor haar 18e levensjaar
bestaand negatief zelfbeeld, pijn- en vermoeidheidsklachten. Gelet
hierop concludeerde Schonagen tot een voor de dag, waarop appellante 18
jaar werd, gelegen eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Uitgaande van de
gestelde locomotore klachten achtte Schonagen het in de primaire fase
van de besluitvorming opgestelde belastbaarheidspatroon niet op alle
aspecten logisch. Daarbij wees hij met name op de in aanmerking genomen
beperking voor zitten bij onbeperkt staan en de gestelde forse
beperkingen ten aanzien van rugbewegingen, terwijl bij het onderzoek een
volstrekt normale rugfunctie werd gevonden. Zijns inziens dienden
slechts lichte beperkingen gesteld te worden ten aanzien van fysiek
zware belasting en achtte hij naast een matige beperking op het
onderdeel 28 A (aanmerkelijke tijdsdruk) appellante ook in enige mate
beperkt op de onderdelen 28D (conflicterende functie-eisen), 28E
(conflicthantering) en 28H (grote verantwoordelijkheid en/of
afbreukrisico). Een urenbeperking werd ook door Schonagen niet gesteld.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 april 2002 overwogen geen
aanknopingspunten gevonden te hebben voor het oordeel dat gedaagde van
onjuiste medische beperkingen was uitgegaan en wees onder andere op de
aanscherping van het belastbaarheidspatroon door Schonagen. Het
arbeidskundig onderzoek achtte de rechtbank daarentegen onzorgvuldig
omdat van het eigen werk van appellante geen werkomschrijving voorhanden
was en, voorzover het besluit van 7 november 2000 was gebaseerd op een
schatting aan de hand van geduide functies, in verband met de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag was uitgegaan van het zoeken van functies in
het FIS-systeem op een verkeerde datum.
Naar aanleiding van evengenoemde uitspraak heeft de
bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen in zijn rapport van 3 juni 2002 het verlies aan
verdienvermogen van appellante aan de hand van het duiden van functies
op 8 augustus 1993, de datum waarop appellante 18 jaar werd, en in de
maand september 1999, toen appellante aanving met haar werkzaamheden als
groepsleidster, op minder dan 25% berekend. Buskermolen ging daarbij,
zoals hij aangaf, na overleg met Schonagen slechts uit van beperkingen
tot het verrichten van extreem zware arbeid, welke arbeid in de geduide
functies niet voorkwam. Voorts is de gemachtigde van appellante bij
brief van 11 juni 2002 meegedeeld dat gedaagde de weigering van de
gevraagde Wajong-uitkering niet meer baseert op geschiktheid van
appellante voor haar eigen werk. Vervolgens heeft gedaagde onder
verwijzing naar de conclusies van Buskermolen en evengenoemde brief het
thans bestreden besluit genomen en daarin ook overwogen de
belastbaarheid en het belastbaarheidspatroon van appellante niet meer te
hebben heroverwogen omdat daaromtrent een oordeel is gegeven in de
uitspraak van de rechtbank van 15 april 2002.
In de beroepsprocedure heeft de gemachtigde van appellante een door de
inspanningsfysioloog en bewegingswetenschapper [getuige 2] ten aanzien
van appellante opgestelde “Contra-expertise en Inspanningsonderzoek
naar Arbeidsbelastbaarheid” (hierna: CIA-onderzoek) van 15 november
2002 overgelegd. Volgens Kesselaar bleek uit het
belastbaarheidsonderzoek dat appellante een ondergemiddelde spierkracht
in de armen heeft, waardoor zij in de arbeidssituatie geen
duurbelastingen zou moeten uitvoeren, alsmede geen dwingend tempo en
geen tijdsdruk zou moeten ondervinden. Voorts deed Kesselaar een
aanbeveling omtrent verdeling over de gehele werkdag van een
tilbelasting van bijvoorbeeld 10 maal 5 kg. Volgens Kesselaar kan
appellante een aantal van de door gedaagde geduide functies verrichten,
mits rekening wordt gehouden met een maximale werkbelasting van 60 tot
65% en, uitgaande van een volledige werkweek van 38 uur, een maximum van
6 uur per dag.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het
medisch en arbeidskundig aspect bij het bestreden besluit zodanig met
elkaar samenhangen dat, anders dan gedaagde meent, thans ook het medisch
aspect opnieuw moet worden getoetst. Voorts stelde de rechtbank vast dat
bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet een onjuist of
onvolledig beeld bestond van de gezondheidstoestand van appellante en de
daaruit voor het verrichten van gangbare arbeid voortvloeiende medische
beperkingen.
In dit verband overwoog de rechtbank dat de diagnose fybromyalgie niet
zonder meer betekent dat sprake is van de door appellante naar voren
gebrachte arbeidsbeperkingen en dat daarvoor niet de diagnose
doorslaggevend is, maar de vaststelling van beperkingen. Inzake het
CIA-onderzoek wees de rechtbank op de terughoudendheid die volgens de
jurisprudentie dient te worden betracht ten aanzien van de resultaten
van een dergelijk onderzoek, onder andere omdat de onderzochte bij de
gebruikte onderzoeksmethode al dan niet bewust in enige mate invloed zal
kunnen uitoefenen op het onderzoek.
Ten slotte onderschreef de rechtbank blijkens de aangevallen uitspraak
de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante - samengevat
weergegeven - de medische en arbeidskundige grondslag van het
bestreden besluit als onvoldoende gekenschetst. Hij wees daarbij onder
andere op de vermelding van haar klachten in het rapport van Jacobs-van
der Spek van 18 april 2000. Met betrekking tot het CIA-onderzoek wees de
gemachtigde op de beschrijving van de methode in paragraaf 3 van het
rapport ter weerlegging van de visie van de rechtbank omtrent de
mogelijkheid van beïnvloeding van het onderzoek.
Ter zitting zijn de beide in rubriek I van deze uitspraak vermelde
getuigen gehoord. Kesselaar verklaarde onder andere dat bij het
CIA-onderzoek het FIS-formulier het uitgangspunt is en dat nameting
plaatsvindt ten aanzien van de duurbelastheid op basis van
inspanningsfysiologische testen, waarbij ter objectivering onder andere
de bloeddruk en de hartslag worden opgemeten. Uit de grafieken, die
worden gebruikt bij het onderzoek naar de duurbelastbaarheid, bleek van
afwijkende carnitinewaarden. Voor de uiteindelijke vaststelling van de
duurbelastbaarheid is er, zo verklaarde Kesselaar desgevraagd
uitdrukkelijk, geen objectieve maat. Bij gebreke van wetenschappelijk
onderzoek ter zake geschiedt die vaststelling door een inschatting op
basis van de meetgegevens en ervaring. De getuige Van Dam verklaarde de
vriend van appellante te zijn sinds eind 1999/ begin 2000 en geen eigen
wetenschap te hebben omtrent de situatie van appellante ten tijde van de
datum in geding.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat in de uitspraak van de
rechtbank van 15 april 2002 de grieven van appellante met betrekking tot
de medische grondslag van het besluit van gedaagde van 7 november 2000
uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit betekent dat, nu
appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld,
volgens inmiddels vaste rechtspraak van de Raad van de juistheid van die
grondslag moet worden uitgegaan en deze grieven, anders dan de rechtbank
heeft geoordeeld, thans niet meer ter beoordeling staan. Dit kan
uitzondering leiden in het hier zich niet voordoende geval dat er sedert
de uitspraak van 15 april 2002 nieuwe medische gegevens naar voren zijn
gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van
appellante, zoals die in die uitspraak is beoordeeld. De Raad wijst er
voorts nadrukkelijk op, dat het vorenstaande alleen betekenis heeft voor
de gezondheidstoestand van appellante op de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag voor de 18e verjaardag van appellante, omdat
het besluit van 7 november 2000 zich immers wat betreft de medische
grondslag tot dat tijdstip beperkte. Bij het thans bestreden besluit is
naar aanleiding van het bezwaar van appellante mede in aanmerking
genomen de mate van arbeidsongeschiktheid in september 1999. De Raad is
op grond van de beschikbare medische gegevens niet gebleken dat de
gezondheidstoestand van appellante in die maand wezenlijk anders was dan
ten tijde van de in het besluit van 7 november 2000 aangenomen eerste
arbeidsongeschiktheidsdag waarvan de Raad, gelet op het rapport van
Schonagen, aanneemt dat is bedoeld deze te stellen op 8 augustus 1992,
de dag, waarop appellante 17 jaar werd, en op 8 augustus 1993. De Raad
heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de klachten van appellante
zich blijkens het rapport van
Jacobs-van der Spek van 18 april 2000 langzaam hebben opgebouwd en sinds
1½ jaar stabiel zijn. Dat appellante inmiddels na uitval op 28 april
2003 uit haar werk voor 19,8 uur per week als groepsleidster bij besluit van gedaagde van 21
april 2004 met ingang van 26 april 2004 in aanmerking is gebracht voor
een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maakt
dit niet anders.
De Raad is voorts van oordeel dat het bestreden besluit ook zijn
arbeidskundige toetsing kan doorstaan. Voorzover in de geduide functies
voor de beide in het bestreden besluit in aanmerking genomen
beoordelingsmomenten op het onderdeel 28, gelet op de door Schonagen
vastgestelde beperkingen van appellante op de onderdelen 28A, D, E en H
van het belastbaarheidspatroon welke zijns inziens in enige mate
bestaan, sprake is van overschrijdingen op die onderdelen, zijn dezen
naar het de Raad voorkomt afdoende toegelicht in het rapport van
Buskermolen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het, afgaande op
het rapport van Schonagen, geenszins om zware beperkingen op deze
onderdelen gaat.
Wat betreft het CIA-onderzoek, dat overigens eerst ruim na de beide data
bij het bestreden besluit in geding plaatsvond, onderschrijft de Raad
het oordeel van de rechtbank. Daarbij neemt de Raad in aanmerking
hetgeen hij terzake van onderzoeken als deze in inmiddels vaste
jurisprudentie heeft neergelegd, waaronder zijn uitspraak van 28 januari 2003
(USZ 2003,102 en RSV 2003,75) met betrekking tot de
betekenis van zogenoemd Functional Capacity Evaluation (FCE-onderzoek)
voor de vaststelling van de belastbaarheid in relatie tot die
vaststelling op basis van het gangbare verzekeringsgeneeskundig
onderzoek volgens de op dat moment in de gezondheidszorg algemeen
aanvaarde methoden, mede in het licht van de resultaten van
TNO-onderzoek naar één van die methoden van het FCE-onderzoek. Voorts
heeft de Raad in het bijzonder gelet op de hiervoor in essentie
weergegeven verklaring van de getuige Kesselaar omtrent haar methode van
vaststelling van de duurbelasting, die uiteindelijk ondanks de door haar
gebruikte meetgegevens ook plaatsvindt op basis van een inschatting.
Uit al het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte
standhoudt en dat de aangevallen uitspraak, zij het met gedeeltelijke
verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|